Oneindig vinden

Oké, vriendjes en vriendinnetjes, ik schreef dus een kortverhaal. Enfin, ik schrijf af en toe al eens iets naast de blog, maar ik vond dat ik het ook wel eens kon plaatsen. Er zijn geen regels in blogland toch, en mochten die er wel zijn, dan lap ik ze graag aan mijn laars. Bij deze vinden jullie vanaf nu een gloednieuw tabblad bovenaan, gloeiend origineel “verhalen”, en een fictief kortverhaal dat gaat over vinden en verledens en hoe die oneindig zijn.


Ze reed. Ze reed op de autosnelweg en wou voor eeuwig blijven doorrijden, in de richting van de windmolens. Eenmaal ze daar voorbij zou zijn, zou ze in de richting van de wolken rijden, en eenmaal daar voorbij, in de richting van wat nog oneindiger was dan dat. Ze wou blijven doorrijden tot ze zichzelf gevonden had, kilometer na kilometer. Lize had het al geprobeerd, dat vinden. Conventioneel en minder conventioneel. Ze was gaan schilderen, ze was gaan boksen, ze had een psycholoog geraadpleegd. Ze had gepraat met hem, en zichzelf keer op keer toegesproken dat het toch wel verdomme oké was dat hij een man was. Hij was toch gewoon hulpverlener, en zij was toch gewoon een onafhankelijke volwassen vrouw. Ze had over haar somberheid verteld, die haar te pas en te onpas lijkt te vergezellen. Die haar opwacht op de passagiersstoel van haar auto, geduldig, gewoon omdat hij weet dat ze terugkomt en hem weer meeneemt. Somber had ze aanvaardbaar gevonden om te vertellen, maar ze had handig rond dat ene gepraat. Ze had jonglerend het ene rode balletje ontweken, razendsnel, en zo was het nooit opgemerkt, en zo had het advies geweest: “Lize, je hebt de regie over je eigen leven.” Sure. Ze had het opgevolgd, dacht ze, door zelfbewust naar Maleisië te reizen, helemaal solo en daar de Mount Kinabalu te beklimmen na te weinig voorbereiding en te veel zorgen. Toen ze arriveerde, bovenaan, voelde ze onnoemelijk veel pijn in haar voeten, in haar rug, in haar kuiten, in haar knieën en in haar schouders en was ze zo misselijk dat ze zich achteraf het uitzicht niet meer zou herinneren, maar enkel die tuimelende, bekruipende misselijkheid.

En omdat conventionele en niet-conventionele middelen om zichzelf te vinden niet hadden geholpen, had ze besloten te rijden. In haar citroengele Skoda, snelweg na snelweg, en, ze maakte zich geen illusies, tolweg na tolweg. Als een psycholoog en een berg niet hadden geholpen, dan zou het na 300 kilometer ook niet lukken. Maar misschien na 1533 kilometer. Of 9379, wist zij veel. Ze zou gewoon rijden, in haar auto slapen, bijtanken, en rijden. En tussendoor misschien ook eens nadenken. 

De Vlaamse radiozenders hadden het intussen al opgegeven en de Franse hadden het, in alle hevigheid zoals we dat van Fransen gewoon zijn, overgenomen. Spotify had ze ook, maar aan afspeellijsten had ze niet gedaan. Wat had ze dan moeten kiezen als thema – van die 80’s roadtripsongs met We built this city? Tof nummer hè, maar dan had ze zich opeens verplicht moeten voelen om mee te zingen. Blackbird, van The Beatles had een heel filmisch nummer kunnen zijn, maar dat had ook op het juiste moment moeten komen. En verdomme, het leven is geen film. Dat wordt niet ondersteund door de juiste soundtrack, altijd, en als het raam van je auto openstaat en je haar verleidelijk wappert en de zon verwarmt, dan speelt er een kutnummer. Zo werkt dat, en als het dat niet is, dan plakt je haar in je mond. Dat zijn imperfecties, kleine, vervelende, mooie, imperfecties die het leven het leven maken, bedacht ze, terwijl een Franse radiopresentator iets onbeduidend zei over het sportnieuws, en het raam van haar auto openstond. 

Ze moest plassen, en ze had een verschroeiende zin in Skittles. Ze had al 7 uur non-stop gereden waarvan ze 2,5 uur in de file had gestaan. Volgens de regels zou ze eigenlijk al lang ergens gestopt moeten zijn en had ze “de benen moeten strekken”, zoals zo plastisch op internet te lezen is. Ze had gegoogeld op lange ritten, en was ergens uitgekomen bij vrachtwagenchauffeurs. Ze was daar blijven hangen, alsof zij haar buddy’s zouden worden binnenkort. Ze vertelden haar, onrechtstreeks, dat ze haar aandacht niet mocht laten verzwakken, op tijd moest stoppen (al had zij niet van die controlerende klokken, dat scheelde) en even moest rusten als haar ogen te zwaar werden. Hoe doen ogen dat plots, zwaar worden? Hoe krijgen onze ledematen en onze organen ineens zoveel eigenschappen toebedeeld? De hare werden het niet. Ze waren wakker, alert, zagen alles gebeuren in de auto’s rond haar: ruzies op de achterbank, stiltes met veel woorden, stiltes zonder woorden, voeten op het dashboard, snacks die uitgedeeld werden. Nu zag ze een tankstation naderen, en een grote gefotoshopte hamburger, dus ze hoopte dat daar ergens ook Skittles zouden zijn. Die Skittles herinnerden haar aan haar middelbare school, toen ze met haar beste vriendin in de les stiekem verschillende kleuren wisselden, want zij lustte de paarse keigraag en Farah de groene. Ze wisselden Skittles uit en negeerden dat ze eigenlijk allemaal gewoon naar lichtzure suiker smaakten, want elke kleurwissel smaakte vooral naar vriendschap. En vriendschap en goede herinneringen, die moet je koesteren.

Lize ging naar het toilet, bestelde Skittles en koffie bij een oude man die even alerte ogen had als zij. Hij knikte bemoedigend, en ze kreeg koffie in een echte kop in plaats van in de wegwerpbeker die ze verwacht had. Ze aarzelde.  
“Je kan daar zitten”, verklaarde hij in ratelend Frans, en ze knikte terug. 
Aan de lange tafel aan het raam plakten randen van koffie en lagen kranten van de dag die bijna voorbij was, maar was er niemand. Ze slurpte haar koffie hevig naar binnen. Als warmte, die moet vullen, als surrogaat, die eenzaamheid vijf minuten stilt. In al zijn bitterheid. In de damp van haar koffie zag ze de sereniteit van de autosnelweg, het dwingende tankstation vol licht. Ze zag chauffeurs dromend tanken, bijrijders kwetsbaar slapen. Ook zonder koffiedamp wou ze blijven zitten, wou ze haar slaapzak nemen en zich hier op de tafel languit uitstrekken en dit stille komen en gaan observeren. Mensen treffen in hun nachtelijke autorijden is veel interessanter dan ze bestuderen tijdens hun uitje in de dierentuin, vond ze. Ze at haar Skittles smakeloos op, als popcorn bij de film. 

Er werd een stoel naar achteren geschoven. Twee stoelen rechts van haar. Een vrouw van een jaar of zestig, het type dat er ouder uitziet dan ze is, en bij wie je dat miraculeus genoeg nog kan afleiden. Haar blauwe eyeliner was zacht uitgelopen, haar gebruinde huid was te droog, en haar lippen waren gebarsten en gegroefd. Haar asblonde haar zat in een vreemde speld gedraaid, alsof ze eigenlijk onder een kapperslamp zou moeten zitten. Bovendien las ze de Dag Allemaal, waardoor het leek alsof ze effectief van de kapper was weggelopen. Lize keek weer door het raam, en merkte tegelijk hoe de vrouw nu naar haar keek, naar haar kop koffie keek en opnieuw naar haar. Ze vroeg zich af wat die vrouw van haar zou denken, nu. Lichtbruin haar, sprieterig in een dot gestoken, wakkere ogen, en wat doet die jonge vrouw van een jaar of 28 hier in godsnaam alleen om middernacht op een random julidag, waar zijn haar aanhangsels? 
Lize vormde een antwoord in haar hoofd, maakte zich klaar voor de aanval, want wat had die vrouw nu te beslissen over haar, en over het feit dat er hier koffie stond om middernacht? 
“Un café?” vroeg de vrouw. Ze glimlachte, en de groeven rond haar mond verstilden. 
Shit, dacht Lize. Ze was niet voorbereid op een glimlach. “Ja”, antwoordde ze, met haar ogen opgetrokken. “En bij u, cola?”, vroeg ze in het Nederlands door de Dag Allemaal. Alsof het dan wel normaal is om cola te drinken om middernacht. 
“In tankstations gelden geen regels. Het is hier net zoals in de luchthavens: daar kan je ook pizza bestellen om 6 uur ’s morgens. En dat smaakt, ongelooflijk. Hebt ge honger?” 
Haar Skittles waren al op. “Euh, ja, misschien wel.” 
De kappersvrouw ging rechtstaan en had een geanimeerd gesprek met de man van wie Lize koffie in een kop had gekregen. Lize vroeg zich af of ze nu niet gewoon moest weggaan, want dat kon, want dit gesprek was gewoon raar, en dan zat ze in de auto en kon ze gewoon nog wat rijden en zien waar ze straks zou uitkomen. Maar ze bleef zitten, alsof haar stoel niet meer te verschuiven viel. 
“Armin heeft een paar koffiekoeken in de oven gestoken. Chocoladekoeken, croissants en frangipanes, zegt u dat iets?” 
Lize knikte. “Kent u die, Armin?” 
“Ik woon in Bonnieux, een dorp in de Provence, maar ik ga geregeld naar familie in België. Ik stop hier altijd, al 20 jaar. En Armin zit hier al zo lang ik mij kan herinneren.” 
Lize knikte terug. “Amai, tof.” Ze wist dat nu het moment kwam dat ze nog iets moest vragen. “Dus euh, dan bent u nu terug op weg naar de Provence?” 
“Exact, naar huis. En gij, naar waar zijt gij op weg?” 
“Euh, naar niets eigenlijk.” Lize zweeg. De vrouw liet haar zwijgen. “Allez, ik ben aan het rijden om mezelf te vinden.” Lize keek haar aan. “En ik bedoel dat niet zo zweverig hè. Maar, ja, eigenlijk komt het daar wel op neer.” 
“Gewoon rijden?” vroeg de vrouw, zonder een zweem oordeel. 
“Gewoon rijden”, antwoordde Lize. 
“Bewonderenswaardig”, zei de vrouw. 
Armin kwam sloffend 3 chocoladekoeken, 5 croissants en 2 frangipanes brengen. Ze aten in stilte, en verdeelden wat overbleef. 
“Ik heb mijn gsm-nummer op het serviette geschreven. Als ge uzelf gevonden hebt, en ook als ge dat niet gedaan hebt, dan woon ik dus in Bonnieux. En het is een schone streek, daar.” De vrouw legde haar hand op Lizes schouder. Niet dwingend, niet medelevend, maar begrijpend. 

Na het ontbijt had ze geslapen. Ondanks de koffie had ze geslapen tot 7 uur, op Armins privé-parking. Het was werkelijk niet te geloven dat ze al connecties aan het leggen was op haar trip, en dat bìnnen de eerste 24 uur. Ze had het gsm-nummer opgeslagen onder “vriendin van Armin”, want ze had geen idee hoe de kappersvrouw heette. En misschien was kappersvrouw ook wel ondankbaar, maar wat moest ze dan, Bonnieuxvrouw? Dat klonk niet veel beter. Het serviette met de slordige cijfers en de zak met de overgebleven croissants knisperde op de passagiersstoel. Alsof er nu, in plaats van die somberheid, een overblijfsel onverwachte gezelligheid was overgebleven. Ze stond ermee in de file, op de A7 richting Lyon. “L’autoroute du soleil”, flitste er door haar hoofd. Het herinnerde haar aan eindeloze spelletjes Uno met haar neefjes en nicht, met wisselen van auto om eens bij nonkel Jan en tante Ria te kunnen zitten en daar te kunnen zagen hoe ver het nog is tot in Spanje. Gekkenwerk, met de auto naar Spanje, met vier kinderen dan nog, maar het vliegtuig was te duur. Het was de eerste keer dat ze verder dan Frankrijk zouden gaan, en de eerste keer met haar tante en nonkel, en haar twee neefjes en nicht. Ze zou die reis naar Spanje nooit vergeten. Langs de autoroute du soleil, 17 jaar later, slurpte ze van caprisunnekes, at ze de croissants en een verlept belegd broodje, betaalde ze veel te veel tol, stopte ze in een wegrestaurant zonder Armins en kappersvrouwen, en kwam ze ongeveer 26 uur na haar vertrek in België aan in Salou. 

En daar, in Salou, zat Lize op een terras met een karaf sangría. Alsof dat niet anders kon in Spanje. Ze had niet eens de moeite gedaan om een goed terras uit te kiezen, zo ééntje van de locals. Het was er integendeel ééntje met half verlichte borden van frieten en pizza, je weet wel, die gerechten uit de echte Spaanse keuken, en met Britten en Nederlanders op het terras die servééésas vroegen en obers die hun ergernis daarbij vakkundig wegstaken. “Whatever”, dacht ze, “ik drink sangría, en naar omstandigheden is het eigenlijk wel nog een goeie”. Ze wist niet hoe ze hier uitgekomen was, aan de boulevard vol kinderen met snottebellen en mensen die teenslippers te letterlijk nemen en hun voeten weigeren op te heffen. Waze had haar naar het centrum geleid, of zij had Waze naar het centrum geleid, omdat ze 17 jaar geleden in Salou was en ze het misschien nog eens wou zien. En omdat ze haar benen moest strekken na 1427 kilometer, vermoedelijk. Ze had zicht op het strand, op een krioelen van mensen die zich een stukje zand toegeëigend hebben. Ze zag families, dynamieken, ruzies, en daartussen haar 11-jarige zelf. Op weg naar het strand, zeulend met emmertjes en een schop, en een opblaasbare matras in felroze en felblauw. Ze glimlachte, naar die strandtaferelen, maar ze voelde tegelijk hoe een misselijkheid haar bekroop, langzaam. Het moet die sangría zijn, die lelijke sangría met dat stomme rietje, dacht ze, ik had nooit dit terras mogen uitkiezen. Ze wou rechtstaan maar voelde zich te moe en te aandachtig tegelijk, alsof iets verlamde en iets waarschuwde. En ze dacht aan wat ze wist, maar niet wou weten, en ze voelde tranen wellen vanachter haar zonnebril, helemaal vanuit haar maag. Ze wist dat het de sangría niet was. 

Ze wist dat het om haar ging. Om 11-jarige Lize, het meisje dobberend op die luchtmatras. Dat onschuldig kind dat schuldig werd die vakantie. Want zíj had haar neefje van zeven in het zwembad geduwd. En ze hadden hem eruit moeten vissen. God, hij moest naar de dokter, want hij was zéker drie minuten onder water gebleven, had tante Ria geschreeuwd. Waarom had Lennert niet gewoon gezwommen? Hij was dat toch aan het leren? Hij was al zeven, had Lize gedacht. Zij kon het op haar vijfenhalf, en hij verdronk bijna toen hij zeven was. 

Lennert was het vervelende neefje. “Moet Lize ook mee?”, vroeg hij aan de ontbijttafel. En Elisabeth en Pieter hadden “jaaa-haa tuurlijk” geantwoord, en daarmee leek de kous af te zijn. Maar hij pakte Lizes schop af op het strand. Prikte met zand in haar ogen. Sloot haar uit. En toen Lize klaagde bij haar mama, troostte die, en zei ze: “ah Lize, het is een kleine jongen, jij weet toch beter”. Maar ze wist niet beter toen ze hem in het zwembad duwde. En toen nonkel Jan later die vakantie zei dat het haar schuld was en dat dit haar vergelding was, toen geloofde ze dat, en liet ze hem. Ze verstopte haar jurkje met gele vlinders, dat ene dat ze toen aanhad, diep in de vuilnisbak, daar waar het thuishoorde. 

“Fuck”, zei ze, en ze liet die lelijke sangría voor wat hij was. Ze viste een serviette op uit haar handtas, en belde een nummer. 
“Ik heb mezelf niet gevonden, bijlange bijlange nog niet, maar ik wil doodgraag Bonnieux zien.”

Gelezen (7): in mijn teerbemind lentezonnetje

Ik moest er even inkomen, in het lezen in quarantaine. Raar hè, want we hebben natuurlijk zeeën van tijd, het spoelt met golven aan, het schijnt dat we dan geen idee moeten hebben van wat we daarmee moeten aanvangen! Mijn leesdip heeft niet lang geduurd hoor, want het werd dan gewoon heel erg mooi weer, en ik doe niets liever dan lezen in mijn ligstoel. Ik denk zelfs dat ik zo wil sterven. Er lijkt mij niets mooiers dan sterven terwijl ik mijn boek dichtklap, verhaal net uitgelezen, nog een laatste hapje ijs met aardbei, de avondzon die het heeft gehad en ik die denk: awel, ik heb het ook gehad. Ik wens dat nu al, voor mezelf.

Maar goed, ik heb dus gelezen. Ik zal al verklappen dat ik vier goede boeken heb gelezen. Wauw! Ik heb dus ENORM genoten van mijn leesmomenten buiten, en ik hoop dat ik jullie kan inspireren met vier heel verschillende boeken.

Kleine brandjes overal – Celeste Ng

Van Celeste Ng las ik eerder al haar debuutroman, “wat ik nooit eerder heb gezegd”. Die viel in de smaak, dus ik las ook haar tweede boek. Opnieuw een psychologische roman, en ik vond hem even goed. In “kleine brandjes” begint het verhaal met Izzy die het huis in brand heeft gestoken. Zo, dan weet je dat ook weer, want daar gaat het verhaal helemaal niet over. Het gaat over moederschap, over verledens, over relaties tussen mensen, en over hoe vonkjes gesticht worden en leiden tot zoveel meer. Celeste Ng schrijft zo levensecht, en met één kleine zin kan ze geniaal en heel pakkend wendingen beschrijven in het verhaal. Aanrader!

De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween – Jonas Jonasson

Ik had nog nooit gelezen over Allan die 100 werd en besloot uit het raam te klimmen. Ik vind nu dat de hele wereld dat zou moeten doen. Allan heeft een euh, bijzonder verleden, is een tikje opportunistisch, en expert op gebied van explosieven. Hij blaast al eens wat op, maar niet in zijn gedachten, want Allan is heel nuchter. En zo heb ik ze graag, de mensen.

Het boek neemt je mee in Allans ontsnapping en neemt je mee op een roadtripachtige tocht, en neemt je ook nog eens mee in zijn verleden. In zijn jonge jaren bleek Allan door zijn expertise op het vlak van atoombommen vriendjes en vijanden geweest te zijn met president Truman, Stalin, Mao Zedong en meer van die historische figuren. Een beetje Forrest Gump-gewijs dus, maar net iets droger.

Je moet het lezen omdat ik luidop moest lachen, af en toe, en als dat gebeurt, dan is het nosmalltalkhumor. Droog, nuchter en een beetje ironisch. Ik zal in Zweden moeten gaan wonen, als het klimaat nog wat opwarmt.

Ook een aanrader dus, al moest ik heel hard in het boek komen – dus lees godjandorie door, da’s een verplichting.

Gij nu – Griet op de Beeck

Wat kan ik schrijven over Gij nu. Ik vermoed dat er geen enkele schrijver is die mij zo kan raken als Griet, en ik wist dat al. Ik lees haar boeken met mondjesmaat, omdat ze allemaal lezen te veel zou zijn. Soms kan je ook te veel mooie dingen lezen. En Griet schrijft niet eens òver mooie dingen, maar ze schrijft zo schoon. Gij nu is een verzameling kortverhalen. En de inhoud bekroop mij zo hard, dat ik niet eens durfde beginnen lezen.

“de angst voor het geluk, vaak groter dan die voor het verdriet”

Maar uiteraard heb ik wel durven lezen, zo’n onnozel schaap ben ik nu ook nog niet, en ik heb verhalen gelezen die mij ook bekropen, en zinnen die mij bekropen. Het was dus met veel bekruipen, allez, dat is duidelijk. Ik citeer, nog even, voorzichtig:

“Ah zo.” Weinig mensen konden zo veel bittere teleurstelling kwijt in twee zulke kleine woordjes.

Over eenzaamheid met grote klauwen. Over angst die altijd terugkomt, in wisselende gedaanten, als ratten die de buit nu eenmaal hebben geroken.

“Doodgaan, doet dat pijn, denkt gij?”

Lees het. Ik kan mij niet voorstellen dat je er spijt van zal hebben.

De alchemist – Paulo Coelho

Het boek dat vaak aangeraden wordt door een allegaartje aan auteurs, dat al lang op mijn wenslijstje stond van de bib en eens beschikbaar was. Ik dacht: oké, ik zal het dan lezen hè. Het is een boek dat nuchtere Kelly normaal niet zou bekijken – het leest wat als een sprookje en is eigenlijk één grote metafoor voor al wie twijfelt over zijn levenspaden. De onderliggende boodschap is dat als je iets wilt in het leven en je je droom wilt verwezelijken, het universum ervoor zal zorgen/je tekenen zal geven om die droom te doen lukken. Je moet je “eigen legende” volgen, dat is de weg naar geluk.

Ik denk dat ik nog nooit het woord levenspaden gebruikt heb en universum en tekenen nog nooit in één zin gezegd heb tenzij sarcastisch, maar met een alchemist erbij lukt schijnbaar alles. En ja, ik heb met mijn ogen gedraaid tijdens de alchemist. Maar ik heb ook een mooi boekje gelezen, vooral toen de alchemist in beeld kwam.

“Helaas volgen maar weinigen de weg die voor hen uitgestippeld is, en dat is de weg van de eigen legende en het geluk. Ze vinden de wereld bedreigend – en daarom wòrdt de wereld ook bedreigend.”

Er zijn stukken die nog even blijven hangen. Goh, zelfs bij mij.

Naast deze vier boeken is er nog een boek, een heel bijzonder boek, dat ik binnenkort graag met jullie wil delen. SPANNEND HE SEG!

Hoe is het met jullie leesavonturen gesteld? Even goed als met de mijne?

05 mei: aantrekkingskracht en water met een smaakje

Ah, mei. De maand waarin bubbels van vier ontstonden, waarin ons haar geknipt werd en waarin duchtig (ik mag het hopen voor uw huid) zonnecrème gesmeerd werd.

Ben ik de enige die vindt dat de tijd een zeer vreemde dimensie aanneemt? Gisteren was het absoluut 3 april, zeker van! En als mensen refereren naar het concept “mei”, dan denk ik dat we dat nog lang niet zijn. En nu is het bijna gepasseerd. Gekke dingen, en een beetje beangstigend ook wel.

Begin deze maand startte voor mij heel gek, want ik heb toch wel weer een anekdote te vertellen jongens. Hou u allen vast, grijp die takken van de dichtstbijzijnde boom, want het gaat weer over een dier. Welbepaald mijn bijzondere aantrekkingskracht op dieren – dat moet onderzocht worden, ik zou wel eens de eerste mens kunnen zijn die zou kunnen communiceren met het dierenrijk! Maar dus: ik was gaan lopen, gaan joggen, hardlopen, gaan puffen en zweten, mijn longen gaan verbranden op vrijwillige basis. Ik liep op maat van mijn muziek toen ik opeens een hond voelde. Een hond, in mijn rug! Het bleek een van mijn lievelingshonden (autocorrect verbeterde dit naar lievelingskinderen?????) te zijn die ik tegenkom op mijn looproute: een Weimaraner (zo’n lieve, coole, grijsblauwe hond). Enthousiast liep hij met mij mee, en ik begroette hem en hij groette terug, maar het leek me niet helemaal de bedoeling dat hij mee zou lopen met mij. Ver weg van zijn thuis, straks zou hij nog verdwalen! Dus ik liep terug naar zijn huisje, sprak de eigenaar aan in de tuin want het hek stond open (meneer? Meneer? MENEER!), en hij zou flink thuis blijven, beloofd. Ik liep verder. EN TOEN KWAM HIJ GEWOON TERUG! Ja, ik kon niet echt teruggaan, vond ik, en ik probeerde de hond met onbekende naam (dat werd dan vriend) terug te sturen. Hij luisterde, keerde terug, maar liep een halve kilometer met me mee tot ik mensen tegenkwam die met hun hond wandelden. Ze keken vragend naar dat lopende meisje met die enthousiaste loslopende hond in haar kielzog, dus ik riep: “hij is niet van mij hoor!” Dat riep nog meer vragen op, dus ik legde uit waar hij vandaan kwam en mijn vriend besloot mee terug te wandelen met de andere hond. Eind goed al goed, denk je, maar toen ik terug aan zijn huis passeerde zag ik hem niet in de tuin. Ik kreeg al vijfentwintig paniekaanvallen WANT STEL JE VOOR DAT HIJ VERDWAALD WAS DOOR MIJ, maar bij de avondwandeling later liep hij terug vrolijk op en neer te banjeren. Oef, stel je voor dat ik had moeten aanbellen bij de eigenaars.

Oké, nu is dus extra bevestigd dat ik na onder andere Harry de spin en de boskat een aantrekkingskracht op dieren heb. Anyway, op naar de volgende avonturen van mei!

Ik werk dus nog steeds thuis en dat is volledig de maand juni wellicht ook nog zo. Ik kies daar ook wel voor, en ben blij dat ik nog wat langer kan coconnen en er meer schrijftijd en tijd voor creativiteit overblijft na mijn normale werk. Jane gaat ook akkoord.

je ziet, I thrive in (beperkte) rommel

Ik bubbelde ook wel, deze maand. Niet met cava want dat vind ik vies, maar ik zag mijn memeetje terug en sprak af met vriendinnen. Dat was fijn, gezellig, en met vriendin Eillish dronk ik “water met een smaakje” (en rosé) en zong ik K3. Good vibes enzo. We maakten voorzichtige vakantieplannen voor ALS die grenzen weer opengaan, want dan zijn we vort voort weg en gaan we roadtrippen. Ja, tot daar mijn cocon hè.

De creativiteit vierde ook weer hoogtij want ik schilderde een octopus en een walvisstaart, en maakte voor paardrijvriendin Charline een paardtekening. Er zat ook een kader bij dus ze kon er altijd wat anders in prullen, dat zijn de voordelen des levens. Ik hou enorm van aquarel en dan vooral van de manier waarop het gebruikt is in de octopus: kleuren die mengen en verspreiden en kleine wolkjes vormen. Het enige nadeel is dat Jane de kopjes met water interessant vindt en er altijd uit wil drinken maar dat kan dus niet, tenzij ze 1. vergiftigd wil worden en 2. mijn tekeningen levend willen blijven, want Jane kan niet drinken zonder morsen (heeft ze van mij geleerd). Nog meer Janeproblemen deze maand is dat ze het leuk vindt om in mijn enkels te bijten (iemand die weet hoe ik dat afleer?) en dat ze haar nagels niet laat knippen, dus ik moet een trimster raadplegen. Helaas voor Jane, want ze haat vreemden. De dierenarts wil ze verdoven maar dat vind ik er zo net over, corona of niet.

Het weer zat nog altijd mee, ik liep in bikini te chillen, at ijs met aardbei en las veel goede boeken. Ik ontdekte ook een fantastisch recept dat ik intussen al een keer of drie maakte, omdat het voldoet aan mijn verwachtingen en levensstijl: smaakvol, zomers en weinig werk. Het is warm eten trouwens maar tóch zomers, en dat is eens iets anders dan die eeuwige slaatjes of “kou pla’s”. Het recept komt uit het kookboek van Mme Zsazsa. Verder deel ik ook graag van Karola’s Kitchen de aarbei-ijsthee die geen thee bevat, eveneens het “water met een smaakje” van hierboven. Het receptje vind je via deze link, en voldoet opnieuw aan mijn eisen. Het werkt nog voor de luie mens!

je moet er véééél tomaten indoen!
zeker een nachtje laten staan, heerlijk!

Op tv droomde ik weg bij de Colombus op één en werd ik hop pardoes verliefd op Boxer in White Lines. Verder keek ik geen tv, want de zon schijnt.

In juni graag meer van ijsjes, zon, vriendinnenbubbels, goede boeken en creativiteit. That’s the life voor mij, alleen nog reizen daarbij graag! Ik wil graag hangen op stranden en lastig doen bij dingen bezoeken en CONTINU ETEN. Dus Pieter De Crem, ist haast zover of gaat u toch voor Aalter als vakantieaalternatief?

Ik ben de queen of luieren en niksen

Opeens, uit het complete niets, viel het mij in dat ik al tien dagen geen idioterie op mijn blog heb uitgekramd. Ik dacht: zo’n dingen kunnen niet. Wat moet de wereld nu zonder mij? Vergaan? Verwelken? Uitdoven? Dat kon ik niet laten gebeuren, dus ik stel jullie graag een nieuw alterego voor: de luiaard.

Jawel, niets beter dan het traagste zoogdier op aarde. U mag zelf kiezen of ik de variant met twee tenen of drie tenen ben. Trouwens, luiaards kunnen hun kop 180 graden draaien en bijna 360 graden zien. HOE ZOT ZIJN DIE BEESTEN? Ik wou dus heel graag een luiaard zijn, en stiekem, soms, ben ik dat al een beetje.

Dat werd mij vorige week duidelijk: toen viel er die dag van de Hemelvaart. Geen idee of het die van Mevrouw Hemelvaart of Meneer Hemelvaart was, maar ik ben ze dankbaar. Enorm, want ik kreeg er een gratis brugdag voor, en ik besliste zomaar even SPONTAAN om drie dagen verlof in te plannen, waardoor ik een wééééék thuis zou zijn!

Een volle week aan luieren! Nu, jullie begrijpen dat ik daar een epistel over kan schrijven. De kunst van het luieren, heeft iemand daar al een boek over geschreven? Want ik ben tha queen of luieren. Af en toe luister ik eens een halve podcast (tijdens het luieren, obviously) en vorige week was het aan “elke dag vakantie”, van Eva Daeleman en haar vriend. Die waren aan het vertellen wat er op hun business card staat (nogal zweverige dingen als change maker, (vond ik hé)) en ik dacht, wat zou ik daar nu kunnen opzetten? Waar ben ik écht goed in? Ik dacht even diep na maar eigenlijk was de oplossing van mijn business card heel makkelijk:

met dank aan vistaprint voor de screenshot

Goed hè! Ik ging eerst “luierexpert” schrijven, maar gezien ik van mijn leven nog geen luier ververst heb bij een baby, leek me dat minder relevant. Daarnaast vond ik luiaard een beetje arrogant: ik ben toch geen dier, i’m only human after all hè. Rustig blijven, twee voetjes op de grond, enkel met het alter ego in bomen ondersteboven gaan hangen, die dingen. Verder vind ik het een heel passend business kaartje, zo met die Gobelina en expert luieren. Zo veelzeggend, zo onzéttend ambitieus en professioneel! Misschien lijkt het ene een beetje paradoxaal tegenover het andere, maar dat ontken ik ten stelligste. Professor Gobelina treedt in werking in functie van expert luieren: zij vindt dingen uit die het leven efficiënter of gemakkelijker maken, waardoor er dus meer tijd is voor … luieren!

Nu, buiten het feit dat ik af en toe al eens ga lopen, mijn gezicht elke avond braafjes reinig en verzorg en ik absoluut geen vaat kan zien staan, heb ik het luieren ook gigantisch goed onder de knie. Zo ben ik goed in:

  • het hergebruiken van potten en pannen tìjdens het koken, zodat er daarna minder afwas is
  • dingen oprapen met mijn voeten (want stel je god nog voor dat ik zou moeten bukken, totaal ongehoord)
  • selectieve blindheid ontwikkelen (not so much of a luiaard): rondrijden en rondlopen met een zonnebril vol vingervlekken en viezigheid, lege toiletrollen en andere rommel die totaal genegeerd worden

Daarnaast ken ik ook helemaal niet die wereld waar mensen het soms over lijken te hebben, met overvolle agenda’s en zich overal naartoe haasten. Pre corona haastte ik mij enkel om mijn trein te halen, en dat was door gebrekkig timemanagement. Ik ben hoegenaamd niet geïnteresseerd in dat drukke leven waar sommige mensen zo lyrisch en toch zo stressvol over doen. Ik wil mij niet van mijn werk naar een hobby naar een restaurant haasten. Raas maar lekker door, ik zet mij intussen graag in mijn stoeltje buiten. Ik zal wel lui zijn.

Luieren is dan ook het heerlijkste dat er bestaat, en dan vooral in de zomer. Dan is luieren nippen van een verfrissend drankje, en aan ijsjes likken terwijl je de verpakking ergens wegmoffelt, voor straks, voor ooit. Je langzaam uittrekken, een boek openslaan, en lezen door een zonnebril vol vingervlekken. Niet letten op horloges, op klokken, op de tijd. Het gewoon laten voorbijzoemen en ritselen, zoals tijd misschien hoort te gaan. Zonnecrème smeren omdat ’t echt moet, en vettige vingerafdrukken achterlaten in je boeken. Vinden dat je ligstoel eigenlijk een tikje te laag staat, maar gewoon blijven liggen. Nog meer eten, nog meer drankjes, nog meer zachte zon, nog meer niksen.

Had je tien miljoen, wat zou jij dan doen?

SKILLSSSS

De Euromillions, de Lotto, ’t groot lot: er is altijd veel over te doen. Zelfs Samson en Gert hebben er ooit al over gefantaseerd en gezongen: “had je tien miljoen wat zou jij dan doen, een feestje bouwen en je geld opdoen? Ik kocht liters limonade honderd kilo chocolade, om aan iedereen uit te delen.” (Allez ik zou dat niet doen, zot, maar Gert wel blijkbaar want die hééft al tien miljoen). Enfin, nu ook ons Irene schreef over veel geld winnen, was ik ook geïnspireerd.

Want ik bedoel, wie niet!

Als ik zou winnen, dan:

  • zou ik allereerst eens een goed reisje maken. Ik ga eens naar de beestjes in Afrika kijken: serieus wishlistmateriaal daar. En niet alleen naar de big five hè, ook naar de insecten enzo. Ik vind dat allemaal interessant. Ergens in Afrika, in een luxeoord met idyllisch strand, plan ik even rust en ga ik wat lezen. Zo wil ook graag op doorreis door Australië, Zuid-Amerika, Europa en Azië. De VS slaan we over want dat zegt mij (unpopular opinion wellicht) niets, ik vind dat iets raars. Voor ik andere oorden opzoek, ga ik eerst even naar huis. Want Jane zit terwijl ik op reis ben in het meest luxueuze kattenpension dat er bestaat, zo wat te zonnen in tipi’s, hangmatten en ander luxemateriaal – en ja, Jane is zo’n diva die dat fantastisch zou vinden.
  • als ik naar huis ga, dan staat dat huis ergens in het groen. Geef mij maar geen gigantisch huis waar ik in verdwaal met vier badkamers en een eigen fitness (who am I joking hè), maar gewoon een leuk huisje. Gigantische boekenkast, gezellige keuken met kruiden die je vanuit het raam kan plukken zoals ze dat in Het huis (programma op één) doen. Als ik er zo over nadenk komt dat huis bijna in de buurt van mijn droomhuis, maar die fitness is er uiteraard al te veel aan. Ik wil veel grote ramen, veel planten, twee honden en mijn kat Jane. Een grote tuin met veel bomen en fruitbomen, een boomhut, mijn eigen groentjes kweken en boerinnetje spelen. Misschien staat dat huis in België, misschien niet, maar ik wil alleszins een buitenverblijfje voor als ’t weer mij tegensteekt (van december tot maart ben ik dan weg hè).
Dit gevoel. Ik bedoel, je wordt wakker, je gooit dat raam open en de muggen vliegen je tegemoet!
  • en, iets wat ik al jaren loop te verkondigen dus het kan nu niet achterblijven: ik doe een gigantische hangar open voor asieldieren. Meerdere hangars misschien, want iedereen welkom. Hond kat geit eekhoorn koe, zelfs bijen als ze maar niet te veel steken. Ik zet ook een detectiveteam op poten dat geheel Sherlock Holmesgewijs dierenmishandelaars gaat opzoeken en die een gepaste straf geeft. Niets te gemeen hè, maar ik heb al eens gezegd dat ik vind dat we medicijnen beter kunnen testen op verkrachters dan op dieren. Bij deze, nog een groep erbij! Ik sta daar volledig achter en ik vind dat helemaal niet raar, maar ik heb al gehoord dat dat blijkbaar toch raar is.
  • als ik nog tijd overheb, dan zou ik ook graag vanuit een creatieve benadering mensen vooruit helpen. Mijn schrijfsels die de wereld blijer maken? Gimme!
  • ik zou één keer per maand fancy gaan dineren en één keer per maand uitgebreid brunchen. Als het meer dan een keer per maand is dan is het niet meer speciaal genoeg, en worden zo’n dingen mijn inziens minder lekker of zo.
  • in plaats van dikwijls de gierige pin uit te hangen, zou ik al eens meer kunnen loslaten. Nu heb ik bij alles de neiging om te denken: en is het écht nodig of kan het ook anders/later? En dat gaat letterlijk om een potje mayonaise in de supermarkt. Dus dan zou ik zoveel lekkere mayonaise (die van Natura, hmm!) kunnen kopen als ik wil! En mensen kunnen trakteren op mayonaise! Ik zou mayonaise kunnen uitdelen en over mayonaise kunnen zingen als ik dat wil! En het is zelfs niet dat ik megamegagraag mayonaise lust, maar dat zou gewoon kunnen omdat ik rijk ben! Anyway: ik zou dus al eens wat meer kunnen kopen.

Basically zou ik dus gewoon willen genieten, zo’n beetje dat la douce France gevoel, maar ook nog nuttige dingen willen doen (boooring, ik weet het). Jammer dat je ook geld moet uitgeven aan de Euromillions voor je ermee kan winnen. Kan iemand daar iets aan doen? Dank u zeer.

Kelly’s bevindingen #6: grijze haren en jongdementie

Blijkbaar ben ik één van die mensen die vroegtijdig grijs wordt. Deze week trok ik mijn tweede grijze haar uit en dat is officieel de bevestiging dat ik binnen dit en een half jaar misschien wel een grijs coupeke heb. Vertel eens gasten, zou het mij staan? Voorlopig waren het witgrijze, dat vind ik wel schoon.

Mijn eerste grijze haar trok ik uit toen ik net 24 was geworden. Ik stond in mijn spiegeltje te kijken in Gran Canaria en plots was daar een lang grijs haar dat opdoemde in mijn haardos. Nu, ruim anderhalf jaar later, was daar mijn tweede. Uiteraard is het zo dat dat mijn tweede zichtbare haar was, want ik trok een grijs babyhaar uit: je weet wel, één van die zwabberende zwierende minihaartjes die altijd in de weg zitten vooraan je hoofd. Ik zou dus ook zomaar grijze haren kunnen hebben ergens middenin mijn haardos, zo van die geniepige weggestoken haren! Ik heb mijn tweede grijze haar uitvoerig bestudeerd, heb er even met de zaklamp van mijn telefoon op geschenen, want o, een grijs haar van mìj! Als ik kon had ik het onder de microscoop gehouden. Goed, na mijn uitgebreid wetenschappelijk onderzoek van het Mooiste Witgrijze Haar, maakte ik mij een bedenking.

Misschien, wie weet, heeft mijn vroegtijdig grijs worden wel iets te maken met mijn jongdementie.

Say no more! Professor Gobelina daalt neer vanuit haar vliegende bol!

zelfportret – wat vind je van mijn lange wimpers?

Ik zal flink uit mijn laboratorium blijven, dan zullen er veel ontploffen gebeuren. Geen ontploffingen bedoel ik natuurlijk! Ja, Gobelijns zijn altijd een beetje verstrooid.

En niet alleen mijn alter ego, ook ikzelf. Ik zeg soms dat ik aan jongdementie lijd en ik weet ook wel dat dat een ziekte is die niet grappig is, maar dan mogen we nergens om lachen. En ik lach bijvoorbeeld ook gaarne met corona en met mezelf, dus ik discrimineer alvast niet.

Ik wil bedoelen dat ik vaak een gigantisch verstrooid warhoofd ben. Ik moet mijn sleutels op mijn voordeur laten zitten, anders raak ik die gegarandeerd kwijt. Ik fiets gezellig rond met een reserve fietssleutel. Als iemand jarig is, vergeet ik het cadeau mee te nemen. Ik ga boodschappen doen met als belangrijkste op de lijst: koffie, en vergeet koffie want ik ben afgeleid bij het fruit. Plannen, to do lists, agenda’s, kalenders? Daar doe ik toch niet aan mee! Ik ben al blij dat ik een boodschappenlijstje maak.

Niet alleen in mijn hoofd, maar ook in mijn omgeving ben ik een rommelig mens. Het is niet raar als er een koffietas met een verdwaald wattenstaafje op mijn bureau staat, en er een verfrommelde post-it ligt van vorige week, en een leeg staaltje parfum, of een lege stylo, en andere voorwerpen die ik al duizend en één jaar niet meer gebruik. Ja, die worden opgeruimd. Vooral die koffietas uiteraard. En sommige blijven liggen, want ik vind een beetje rommel al eens leuk. Ja ja, dat maakt van mij ongetwijfeld een creatiever mens, het zou er nog moeten aan ontbreken dat er geen voordelen aan verbonden zijn!

Ik doe vanalles tegelijk, terwijl mijn uien aanbakken moet mijn snijplank al afgewassen worden en moet ondertussen muziek opgezet worden en moet de kat eten krijgen en ik ben zo het totaal omgekeerde van de efficiënte mens. Want mijn uien branden aan. Ik kom standaard tussen de 5 en 10 minuten te laat, en je zou denken dat ik het incalculeer, maar zo werken de dingen niet.

Ik ben afgeleid door alles. Door de kleinste beweging daar ginder in de verste verte in mijn gezichtsveld. O luister nu, vogelgetjirp! Mijn hersenen registeren de gedachte “zou een mier longen hebben”, en we zijn vertrokken voor een half uur. Het antwoord is trouwens nee, want mieren ademen door een geheel eigen systeem van dunne buisjes die door hun lichaam lopen. ALLEMAAL IN DAT INSECT HE! Denk daar nog maar eens aan voor je die doodtrappelt. Ik vind dat dus gigantisch fascinerend hè. Maar misschien wel op de verkeerde momenten.

Is dat zo wat herkenbaar, dat van vanalles kwijtraken en rommel maken en afgeleid zijn door mieren? Of moet ik me toch maar wat zorgen maken om euh, mezelf?

Ironische foto olifanten(geheugen) beginscherm by Mylon Ollila on Unsplash