Kelly’s bevindingen #7: dat het leven toch wel een schoon ding is

Goh, hier ben ik weer. Ik weet ook niet wat het is maar ik heb opvallend weinig blogschrijfinspiratie de laatste tijd. Het kan komen omdat ik meer teken en schilder en kladder en ik zelfs een schildershemd heb gekocht (zijnde een mannenhemd van de kringloop waar alle verfspetters op mogen belanden en waarin ik als een artistieke vogel door mijn appartment glijd). Of misschien zijn er gewoon grenzen aan talenten en kan het internet geen Gobelina’s meer aan: wie zal het zeggen.

Ik ben er alleszins weer! Ik kom vermelden dat ik iets opgemerkt heb. Ik heb opgemerkt wat jullie allemaal al in de titel konden lezen, echt helemaal niets spannends dus, maar eigenlijk toch ook weer wel: dat het leven toch wel een bijzonder mooi ding is. Een orakel, eigenlijk! Dat het leven mooi is wordt helemaal gevormd door kleine gelukskes, jawel, diezélfde kleine gelukskes waar iedereen het in blogland over lijkt te hebben. Ik lees ze graag, maar “een klein gelukske” heeft voor mij zo wat een betekenis verloren omdat ik het al zo vaak gehoord heb. Mijn god, straks wordt het nog net zoals het modewoord stress, daar krijg ik ook jeuk en duizend kriebels van. Als ik bijvoorbeeld zeg dat ik hoofdpijn heb, dan is er altijd wel iemand die moet reageren met “O, misschien heb je wel STRESS!”. Dan wil ik mensen hun kop inslaan, zoveel stress krijg ik daarvan. (Ik heb problemen, ik weet het). Enfin, happy place enzo, het leven is bijzonder mooi, daar had ik het over. Ik wil dus niet dat het met kleine gelukskes die kant op gaat. En ik wil er ook geen pseudowoord voor verzinnen, want dat is net zoals je allochtoon vervangt door migrant, dat is in feite na een tijd hetzelfde.

Ik heb de laatste tijd dus opgemerkt dat het leven, als je dat kan zien, mooi is. Het zijn die momenten die ervoor zorgen dat je hart opspringt en je je niet, pakweg, onder de grond wilt begraven omdat er menselijke figuren bestaan. Soms zijn het momenten dat je blij bent dàt er menselijke figuren bestaan! Orakels, ik zei het. Soms gaat het ook over iets voelen. Of gewoon over tomaten.

  • Een vlinder die meevliegt op mijn looproute, al is het maar een meter of drie.
  • Een terraske met een vriendin, in een avondzonnetje, en dat het begint te schemeren en zachtjes en opeens donker wordt. Dat de lichten van de kerktoren aangaan en het marktplein een cocon van gezellig wordt.
  • Wandelend ergens naartoe gaan – naar de supermarkt, idioot basic, omdat een mens gemaakt is voor wandelen en toch niet voor ellendig fiétsen. (of dat dan wel voor autorijden is, daar ga ik niet op in. Het antwoord is ja.)
  • Ademen. Verse lucht. Zuurstof, boslucht, zeelucht. Normaal kunnen ademen nadat het mondmasker af mag. En daar dan eens mee wapperen, want daaaaag.
  • De geur van verse tomaten. En de smaak, uiteraard – maar de geur bereidt voor op de smaak en niets evenaart een verse, zelfgeplukte tomaat. Ik trouw ooit een tomaat.
  • Een compliment krijgen over je huisdier, van de eigenaar van een ander schattig huisdier. Dat scoort extra punten! Als iemand Jane complimenteert met haar pluimstaart maar die heeft een basic kat dan denk ik: o dank u, ik weet het. Maar als iemand met een fancy huisdier complimenteert, dan weet ik niet hoe ik mij moet gedragen. Zo was er de eigenaar van de schattigste en liefste golden retriever die de hond van mama complimenteerde toen ik met hem ging wandelen. Ik was zo gigantisch trots, ik wou hem in de lucht steken en aan de wereld laten zien! Hij had niets in de gaten. Wou doorwandelen, verdomme, met dat geneuzel hier ook.

06 juni: terraskes, klachten en Jerôme

Bon, juni is gepasseerd en ik wil proberen om niet te zagen over hoe snel de tijd gaat, maar ze gaat toch echt wel heel snel. Het werd zomer, de horeca heropende en ik had eigenlijk een heerlijke maand. Eigenlijk valt mijn algehele stemming samen te vatten in twee foto’s:

druk bezig met het beoefenen van “expert luieren”

joepie eten en wijn

Ik was vaak buiten deze maand en dat maakt van mij gewoon een gelukkiger mens. Ik trok vervelend onkruid uit in mijn tuintje, maar ik liet ook nog wat staan voor de insecten. Dat werd prompt beloond want er kwam een lieveheersbeestje op mijn jurkje kruipen. Ik nam Jane ook eens mee naar buiten, aan de leiband. Dat ding aandoen was, tja, iets, maar éénmaal buiten vond ze het prima en keek ze met veel interesse naar de insecten. Tja, katten gaan op baasjes lijken hè. Ik heb een coole kat.

Mama’s tuin wordt steeds groener en er is tegenwoordig een kleurrijk ding bijgekomen: een hangmat. Jawel! Ze had die gekocht in de Aldi en we gingen die in elkaar zetten, maar ik heb minstens vijf keer gezegd dat ik een klacht ging indienen tegen de producent van de hangmat WANT WAT EEN VRESELIJKE OPERATIE WAS DAT. Ik moest en zou het zelf doen, maar de handleiding in het Nederlands klopte niét: de inhoud was fout en ze ging opeens over in het Duits. Ik heb de Franse er dan maar bijgenomen. Daarna moesten we die stof van de hangmat over de haakjes hangen, maar ikzweerhetu: het is een wonder dat wij onze schouder daar niet uit de kom getrokken hebben. Die stof leek veel te kort! Ik dacht dat we het verkeerd ineen gezet hadden, maar bleek dat je gewoon heeeeel hard moest trekken aan dat ding. In de handleiding stond: “vraag hulp”. Ik dacht: dat ziet ge van hier, wij gaan dat als sterke vrouwen godmiljaar zelf doen, dus uiteindelijk, na een half uur trekken, is het gelukt. Goed é! Moeder is er bij mijn weten maar één keer uitgevallen. En de hangmat is zalig, echt waar. Nu nog gaan klagen.

Zoals alom geweten mochten we ook terug wijn drinken op terraskes en dat heb ik dus ook gedaan. Mijn portefeuille een beetje leger, maar mijn avonden wel wat gevulder. Ik heb daar van genoten, echt waar! Het leuke nieuws is dat ik TOCH een vakantie geboekt heb, haha. Met vriendin Eillish, mijn reismaatje, ga ik in augustus 10 dagen roadtrippen in het zuiden van Frankrijk. We zijn die twee uitzonderingen die daar eigenlijk nog nooit bewust geweest zijn – ik enkel eens op een CM-kamp. In de hoop dat corona stabiel blijft, denk ik dat het verder wel zal meevallen. We gaan vliegen (want het was heel goedkoop, sorry), een autootje huren en slapen in leuke airb&b’s. Verder heb ik de hele maand augustus al verlof ingezet en heb ik nog 11 dagen verlof over, dus ik zal nog véél chillen! Joepie!

Ik ging ook voor de eerste keer dit jaar naar zee. Ik was al eens gaan ontbijten daar in februari maar toen had ik de zee niet gezien, dus dat telde niet. Ik woon op een halfuur rijden van de zee dus normaal ga ik af en toe wel eens, maar ja corona, dus het deed me deugd om terug met de voetjes in het zand en in de zee te zitten. Ik ging trouwens ’s avonds, dus het was niet met braden maar wel met eten, flaneren, en foto’s met zonsondergang. Ik ga meestal naar Bredene – Oostende en neem dan het overzetbootje om in Oostende te geraken. Bij de overzet moesten er mondmaskers op (want strikt gezien openbaar vervoer) en begonnen er wildvreemde, vervelende mensen tegen ons te praten en te zagen over die maskers. Ik weet niet wat dat was, alsof ik dat opeens uitstraal ofzo? Ik kan dat ook niet afblokken, ik ben daar te “lief” voor. Anyway het was wel heel leuk want lieve lezers, ik had weer oogcontact met een dier. Deze keer was het met een zeehond! Ja, die beesten die liggen te chillen op het strand in Oostende. We doopten ze Jerôme, Cindy en Gerald (die laatste naar die ene uit Finding Dory) en het was met Jerôme, de charmantste van allemaal, dat het oogcontact ontstond. Ik stond dus iedere keer: “dag Jerôme!” te roepen, totaal ongegeneerd, want het is een zeehond. En ik zal het nog maar eens zeggen: blijf wel op afstand van die dieren hè, laat die gewoon chillen en hun portie vitamine D opdoen. Jij doet dat graag, de zeehond ook. Oogcontact is toegestaan, maar je kan dat niet forceren. Maar verder: goals toch, die zeehonden. Beetje zonnen, beetje eten, beetje zwemmen. “Waar zie je je zelf binnen 10 jaar, Kelly?” “Als zeehond.”

sealwatching
RECHTS IS JERÔME

Qua creativiteit schilderde ik een haai, want vriendin Iris was jarig en is in de ban van haaien, en terwijl we toch in de onderwaterwereld zaten schilderde ik meteen ook een rog. Ik ga trouwens vanaf 1 juli een tekencursus volgen, 3 avonden. Ik ben heel benieuwd of het tof gaat zijn, of er iets cools gaat uitkomen én of ik mijn perfectionisme daarin aan de kant zal kunnen zetten. Da’s iets voor de volgende keer. O en met Jane gaat ook alles goed: die is nog steeds even vervelend en schattig.

Hoe was jullie maand? En zijn we dan allemaal blij dat het zomer is en we niet meer kunnen slapen ’s nachts??? Als laatste heb ik een nummertje van Loïc Nottet. Misschien niet zomers (excuses hè) maar wel een prachtig nummer.

De jongen, de mol, de vos en het paard: magie in zoveel eenvoud

Af en toe, echt soms, heb je iets in handen en voel je: dit is magie. Het is niet uitzonderlijk dat dat een boek is. Boeken doen zo’n dingen. Auteurs doen zo’n dingen. Omdat ze je persoonlijk raken, met mooie woorden en zinnen, met aandachtig gekozen verhalen. Goh, ik vind dat zo schoon altijd hè, zo mooi dat dat bestaat, verhalen, zoiets universeels, zoiets WONDERLIJK. Sentimenteel word ik daarvan! Zoveel verbintenis, straks ga ik nog van mensen houden!

Nee, werkelijk, er is zo’n boek en ik zag de omslag online, en ik wist op voorhand al: awel, dat is magie. Charlie Mackesy, gij wordt mijne maat. En hij werd dat. Maar vooral ook een jongen, een mol, een vos en een paard. Ja, drie daarvan zijn beesten, ik wéét het, ik was vooral niet bevooroordeeld hoor, maar het is ook, en dat in het bijzonder, een prachtig boek.

Het is geen kinderboek. Het is geen boek voor volwassenen. Het is een boek met tekeningen, in alle eenvoud die iedereen kan begrijpen maar die voor iedereen een beetje anders zullen voelen. Ze hebben mij geraakt, op de meest postitieve manier.

Als jullie een fijn boek zoeken, voor jezelf, of om cadeau te geven: Charlie Mackesy is your man. De omslag ziet er keichique uit, er kan dus niets misgaan. En de mol eet graag taartjes en heeft de meest wijze levenslessen, maar dus werkelijk. Hij is voortaan mijn Boeddha, ofzo. (Ik zal er een handel in starten, met molbeeldjes die taartjes eten. Zullen we zakendoen, Charlie?).

O dierbaar lockdown, ik mis je al een beetje

Weet je nog, dat we het hadden over postcorona? Dat we nadachten hoe het zou zijn na corona, over de tijd dat lockdowns zouden voorbij zijn en we terug vrij konden zijn? Dat we terug een gehaast mens zouden kunnen worden?

Ik vind dat het nu stilaan zover is. Grenzen open, we mogen met z’n allen naar zee, en het allerbelangrijkste voor de bon vivants: de terraskes open. Corona lijkt zich vooral nog te verklappen in plexi-glas, mondmaskers, de eeuwige geur van ontsmetting en afstand houden van vreemden (dat we dat nog mogen meemaken – ik had het nooit zo schoon kunnen dromen toen ik deze blog begon).

Wat een ongelooflijk speciale tijd was dat. Of je nu hem eenzaam, angstig, spannend, verdrietig, ontspannend of vertrouwd vond: uniek was het bovenal. En ik mocht dan wel als een idioot geschreven hebben dat we later als we oud zijn en stinken iedereen zullen vervelen met eeeeindeloze anekdotes over deze o zo zonderlinge epidemietijd (laten we vooral hopen dat ze nog speciaal is over 60 jaar), we hebben hoe dan ook een bijzondere tijd achter de rug. En terwijl de tijd woedde en we allemaal in lockdown zaten en ik mooie tuinhuizen lelijk schilderde, had ik een gevoel waar ik via Shirleys blog in een artikel van Mari Andrew een passend woord voor vond: “pre-nostalgia”. Iets op voorhand al missen, terwijl je het nog volop beleeft. Exact: dat heb ik weleens als ik ijs aan het eten ben en het al bijna op is en ik niet wil dat het op is en ik MIDDENIN het ijsje het ijsje al mis en een existentiële crisis prenostalgisische aanval krijg. Bij de lockdown had ik dat dus ook. Het ding is alleen: bij een ijsje vormen zich weinig problemen. Men neme er gewoon nog één. Bij de lockdown gaat dat niet zomaar – ik ga niet nog 9000 mensen laten doodgaan. Zo’n vervelend mens ben ik nu ook niet. Maar ik mag de lockdown wel al een beetje missen, toch? Missen maar niet terugwillen, want ik heb enorm genoten van mijn terraskes van ’t weekend (bon vivant hè). Ik heb ze misschien ook wel harder geapprecieerd omdat ze er niet waren. Ik zei dat, letterlijk: “amai, ik wist niet dat ik dit zo gemist had.” Dat bediend worden, die babbelkes, dat donker worden ’s avonds terwijl terraskes helemaal niet leeg worden. Ik kan intens genieten van zoiets, ik meen dat – zonder te sentimenteel te worden, want de rekening was er ook naar (te veel hapkes misschien, en ik ben een gierige). Maar ik heb ook van de lockdown genoten: ik vond ze speciaal en eenvoudig. Tegelijk.

Want het was nog nooit zo stil op straat. Ik kan de straat, die doorgaans drukke straat vol luide auto’s en vrachtwagens nu gewoon bijna zonder kijken oversteken. Ik zie krijttekeningen met bedankjes voor de vuilnismannen, en de postbodes, en iedereen die helpt eigenlijk. Achter de ramen zie ik beren, achter grote ramen en piepend achter kleine ronde ramen, of verstopt in heggen. Mooie beren, lelijke beren, originele beren, of verzameld met tientallen achter één enkel raam. Ik kan ze tellen en blijven tellen tijdens mijn wandelingen, want ik wandel zo onnozel veel, maar ik word er lang niet onnozel van. Ik ga lopen in het schoonste bos, met varens die klein starten en die ik zie groeien tot een meter hoog. Bij de bakker staat een rij tot buiten, en ik sluit een beetje mokkend aan, maar de koffiekoeken en de “houd u goed é” van de bakkerin smaken dubbel zo goed. Aperitieven met ons moeder verloopt net iets trager, het eerste roséwijntje buiten misschien nog net iets geslaagder. De seizoenen van De Mol en Down The Road 2020 net iets beter. Bpost laat gratis postkaartjes versturen en ik vind heel lieve en schone in mijn brievenbus, na, uiteraard, een wandeling. De politie schreeuwt met borden “blijf in uw kot” en vraagt mij: “wat is de reden van uw verplaatsing, mevrouw?”. Er zijn géén files om aan te kondigen op de radio en dat maakt mij raar euforisch, ik wil daarvan op mijn stoel wippen tijdens het werk. Ik zie een benzineprijs aan 0,999 euro per liter en heb dat nog nooit gezien. Ik staar naar buiten, naar mensen die fietsen en wandelen, naar hoe de wereld toch leeft, en toch ademt, en toch passeert. De vogels fluiten, elke dag, altijd een beetje luider en vrolijker. Wilde dieren lijken te denken dat de mens is uitgestorven en komen uit hun kot: pinguïns in Zuid-Afrika waggelen zelfverzekerd op het voetpad. Dat doet mij glimlachen. En de zon schijnt. Even zelfverzekerd. En dat doet mij ook glimlachen. Misschien veel dingen niet: maar dat wel. Dat de natuur doorgaat, met de beestjes en de zon. Dat altijd wel een beetje.

Oneindig vinden

Oké, vriendjes en vriendinnetjes, ik schreef dus een kortverhaal. Enfin, ik schrijf af en toe al eens iets naast de blog, maar ik vond dat ik het ook wel eens kon plaatsen. Er zijn geen regels in blogland toch, en mochten die er wel zijn, dan lap ik ze graag aan mijn laars. Bij deze vinden jullie vanaf nu een gloednieuw tabblad bovenaan, gloeiend origineel “verhalen”, en een fictief kortverhaal dat gaat over vinden en verledens en hoe die oneindig zijn.


Ze reed. Ze reed op de autosnelweg en wou voor eeuwig blijven doorrijden, in de richting van de windmolens. Eenmaal ze daar voorbij zou zijn, zou ze in de richting van de wolken rijden, en eenmaal daar voorbij, in de richting van wat nog oneindiger was dan dat. Ze wou blijven doorrijden tot ze zichzelf gevonden had, kilometer na kilometer. Lize had het al geprobeerd, dat vinden. Conventioneel en minder conventioneel. Ze was gaan schilderen, ze was gaan boksen, ze had een psycholoog geraadpleegd. Ze had gepraat met hem, en zichzelf keer op keer toegesproken dat het toch wel verdomme oké was dat hij een man was. Hij was toch gewoon hulpverlener, en zij was toch gewoon een onafhankelijke volwassen vrouw. Ze had over haar somberheid verteld, die haar te pas en te onpas lijkt te vergezellen. Die haar opwacht op de passagiersstoel van haar auto, geduldig, gewoon omdat hij weet dat ze terugkomt en hem weer meeneemt. Somber had ze aanvaardbaar gevonden om te vertellen, maar ze had handig rond dat ene gepraat. Ze had jonglerend het ene rode balletje ontweken, razendsnel, en zo was het nooit opgemerkt, en zo had het advies geweest: “Lize, je hebt de regie over je eigen leven.” Sure. Ze had het opgevolgd, dacht ze, door zelfbewust naar Maleisië te reizen, helemaal solo en daar de Mount Kinabalu te beklimmen na te weinig voorbereiding en te veel zorgen. Toen ze arriveerde, bovenaan, voelde ze onnoemelijk veel pijn in haar voeten, in haar rug, in haar kuiten, in haar knieën en in haar schouders en was ze zo misselijk dat ze zich achteraf het uitzicht niet meer zou herinneren, maar enkel die tuimelende, bekruipende misselijkheid.

En omdat conventionele en niet-conventionele middelen om zichzelf te vinden niet hadden geholpen, had ze besloten te rijden. In haar citroengele Skoda, snelweg na snelweg, en, ze maakte zich geen illusies, tolweg na tolweg. Als een psycholoog en een berg niet hadden geholpen, dan zou het na 300 kilometer ook niet lukken. Maar misschien na 1533 kilometer. Of 9379, wist zij veel. Ze zou gewoon rijden, in haar auto slapen, bijtanken, en rijden. En tussendoor misschien ook eens nadenken. 

De Vlaamse radiozenders hadden het intussen al opgegeven en de Franse hadden het, in alle hevigheid zoals we dat van Fransen gewoon zijn, overgenomen. Spotify had ze ook, maar aan afspeellijsten had ze niet gedaan. Wat had ze dan moeten kiezen als thema – van die 80’s roadtripsongs met We built this city? Tof nummer hè, maar dan had ze zich opeens verplicht moeten voelen om mee te zingen. Blackbird, van The Beatles had een heel filmisch nummer kunnen zijn, maar dat had ook op het juiste moment moeten komen. En verdomme, het leven is geen film. Dat wordt niet ondersteund door de juiste soundtrack, altijd, en als het raam van je auto openstaat en je haar verleidelijk wappert en de zon verwarmt, dan speelt er een kutnummer. Zo werkt dat, en als het dat niet is, dan plakt je haar in je mond. Dat zijn imperfecties, kleine, vervelende, mooie, imperfecties die het leven het leven maken, bedacht ze, terwijl een Franse radiopresentator iets onbeduidend zei over het sportnieuws, en het raam van haar auto openstond. 

Ze moest plassen, en ze had een verschroeiende zin in Skittles. Ze had al 7 uur non-stop gereden waarvan ze 2,5 uur in de file had gestaan. Volgens de regels zou ze eigenlijk al lang ergens gestopt moeten zijn en had ze “de benen moeten strekken”, zoals zo plastisch op internet te lezen is. Ze had gegoogeld op lange ritten, en was ergens uitgekomen bij vrachtwagenchauffeurs. Ze was daar blijven hangen, alsof zij haar buddy’s zouden worden binnenkort. Ze vertelden haar, onrechtstreeks, dat ze haar aandacht niet mocht laten verzwakken, op tijd moest stoppen (al had zij niet van die controlerende klokken, dat scheelde) en even moest rusten als haar ogen te zwaar werden. Hoe doen ogen dat plots, zwaar worden? Hoe krijgen onze ledematen en onze organen ineens zoveel eigenschappen toebedeeld? De hare werden het niet. Ze waren wakker, alert, zagen alles gebeuren in de auto’s rond haar: ruzies op de achterbank, stiltes met veel woorden, stiltes zonder woorden, voeten op het dashboard, snacks die uitgedeeld werden. Nu zag ze een tankstation naderen, en een grote gefotoshopte hamburger, dus ze hoopte dat daar ergens ook Skittles zouden zijn. Die Skittles herinnerden haar aan haar middelbare school, toen ze met haar beste vriendin in de les stiekem verschillende kleuren wisselden, want zij lustte de paarse keigraag en Farah de groene. Ze wisselden Skittles uit en negeerden dat ze eigenlijk allemaal gewoon naar lichtzure suiker smaakten, want elke kleurwissel smaakte vooral naar vriendschap. En vriendschap en goede herinneringen, die moet je koesteren.

Lize ging naar het toilet, bestelde Skittles en koffie bij een oude man die even alerte ogen had als zij. Hij knikte bemoedigend, en ze kreeg koffie in een echte kop in plaats van in de wegwerpbeker die ze verwacht had. Ze aarzelde.  
“Je kan daar zitten”, verklaarde hij in ratelend Frans, en ze knikte terug. 
Aan de lange tafel aan het raam plakten randen van koffie en lagen kranten van de dag die bijna voorbij was, maar was er niemand. Ze slurpte haar koffie hevig naar binnen. Als warmte, die moet vullen, als surrogaat, die eenzaamheid vijf minuten stilt. In al zijn bitterheid. In de damp van haar koffie zag ze de sereniteit van de autosnelweg, het dwingende tankstation vol licht. Ze zag chauffeurs dromend tanken, bijrijders kwetsbaar slapen. Ook zonder koffiedamp wou ze blijven zitten, wou ze haar slaapzak nemen en zich hier op de tafel languit uitstrekken en dit stille komen en gaan observeren. Mensen treffen in hun nachtelijke autorijden is veel interessanter dan ze bestuderen tijdens hun uitje in de dierentuin, vond ze. Ze at haar Skittles smakeloos op, als popcorn bij de film. 

Er werd een stoel naar achteren geschoven. Twee stoelen rechts van haar. Een vrouw van een jaar of zestig, het type dat er ouder uitziet dan ze is, en bij wie je dat miraculeus genoeg nog kan afleiden. Haar blauwe eyeliner was zacht uitgelopen, haar gebruinde huid was te droog, en haar lippen waren gebarsten en gegroefd. Haar asblonde haar zat in een vreemde speld gedraaid, alsof ze eigenlijk onder een kapperslamp zou moeten zitten. Bovendien las ze de Dag Allemaal, waardoor het leek alsof ze effectief van de kapper was weggelopen. Lize keek weer door het raam, en merkte tegelijk hoe de vrouw nu naar haar keek, naar haar kop koffie keek en opnieuw naar haar. Ze vroeg zich af wat die vrouw van haar zou denken, nu. Lichtbruin haar, sprieterig in een dot gestoken, wakkere ogen, en wat doet die jonge vrouw van een jaar of 28 hier in godsnaam alleen om middernacht op een random julidag, waar zijn haar aanhangsels? 
Lize vormde een antwoord in haar hoofd, maakte zich klaar voor de aanval, want wat had die vrouw nu te beslissen over haar, en over het feit dat er hier koffie stond om middernacht? 
“Un café?” vroeg de vrouw. Ze glimlachte, en de groeven rond haar mond verstilden. 
Shit, dacht Lize. Ze was niet voorbereid op een glimlach. “Ja”, antwoordde ze, met haar ogen opgetrokken. “En bij u, cola?”, vroeg ze in het Nederlands door de Dag Allemaal. Alsof het dan wel normaal is om cola te drinken om middernacht. 
“In tankstations gelden geen regels. Het is hier net zoals in de luchthavens: daar kan je ook pizza bestellen om 6 uur ’s morgens. En dat smaakt, ongelooflijk. Hebt ge honger?” 
Haar Skittles waren al op. “Euh, ja, misschien wel.” 
De kappersvrouw ging rechtstaan en had een geanimeerd gesprek met de man van wie Lize koffie in een kop had gekregen. Lize vroeg zich af of ze nu niet gewoon moest weggaan, want dat kon, want dit gesprek was gewoon raar, en dan zat ze in de auto en kon ze gewoon nog wat rijden en zien waar ze straks zou uitkomen. Maar ze bleef zitten, alsof haar stoel niet meer te verschuiven viel. 
“Armin heeft een paar koffiekoeken in de oven gestoken. Chocoladekoeken, croissants en frangipanes, zegt u dat iets?” 
Lize knikte. “Kent u die, Armin?” 
“Ik woon in Bonnieux, een dorp in de Provence, maar ik ga geregeld naar familie in België. Ik stop hier altijd, al 20 jaar. En Armin zit hier al zo lang ik mij kan herinneren.” 
Lize knikte terug. “Amai, tof.” Ze wist dat nu het moment kwam dat ze nog iets moest vragen. “Dus euh, dan bent u nu terug op weg naar de Provence?” 
“Exact, naar huis. En gij, naar waar zijt gij op weg?” 
“Euh, naar niets eigenlijk.” Lize zweeg. De vrouw liet haar zwijgen. “Allez, ik ben aan het rijden om mezelf te vinden.” Lize keek haar aan. “En ik bedoel dat niet zo zweverig hè. Maar, ja, eigenlijk komt het daar wel op neer.” 
“Gewoon rijden?” vroeg de vrouw, zonder een zweem oordeel. 
“Gewoon rijden”, antwoordde Lize. 
“Bewonderenswaardig”, zei de vrouw. 
Armin kwam sloffend 3 chocoladekoeken, 5 croissants en 2 frangipanes brengen. Ze aten in stilte, en verdeelden wat overbleef. 
“Ik heb mijn gsm-nummer op het serviette geschreven. Als ge uzelf gevonden hebt, en ook als ge dat niet gedaan hebt, dan woon ik dus in Bonnieux. En het is een schone streek, daar.” De vrouw legde haar hand op Lizes schouder. Niet dwingend, niet medelevend, maar begrijpend. 

Na het ontbijt had ze geslapen. Ondanks de koffie had ze geslapen tot 7 uur, op Armins privé-parking. Het was werkelijk niet te geloven dat ze al connecties aan het leggen was op haar trip, en dat bìnnen de eerste 24 uur. Ze had het gsm-nummer opgeslagen onder “vriendin van Armin”, want ze had geen idee hoe de kappersvrouw heette. En misschien was kappersvrouw ook wel ondankbaar, maar wat moest ze dan, Bonnieuxvrouw? Dat klonk niet veel beter. Het serviette met de slordige cijfers en de zak met de overgebleven croissants knisperde op de passagiersstoel. Alsof er nu, in plaats van die somberheid, een overblijfsel onverwachte gezelligheid was overgebleven. Ze stond ermee in de file, op de A7 richting Lyon. “L’autoroute du soleil”, flitste er door haar hoofd. Het herinnerde haar aan eindeloze spelletjes Uno met haar neefjes en nicht, met wisselen van auto om eens bij nonkel Jan en tante Ria te kunnen zitten en daar te kunnen zagen hoe ver het nog is tot in Spanje. Gekkenwerk, met de auto naar Spanje, met vier kinderen dan nog, maar het vliegtuig was te duur. Het was de eerste keer dat ze verder dan Frankrijk zouden gaan, en de eerste keer met haar tante en nonkel, en haar twee neefjes en nicht. Ze zou die reis naar Spanje nooit vergeten. Langs de autoroute du soleil, 17 jaar later, slurpte ze van caprisunnekes, at ze de croissants en een verlept belegd broodje, betaalde ze veel te veel tol, stopte ze in een wegrestaurant zonder Armins en kappersvrouwen, en kwam ze ongeveer 26 uur na haar vertrek in België aan in Salou. 

En daar, in Salou, zat Lize op een terras met een karaf sangría. Alsof dat niet anders kon in Spanje. Ze had niet eens de moeite gedaan om een goed terras uit te kiezen, zo ééntje van de locals. Het was er integendeel ééntje met half verlichte borden van frieten en pizza, je weet wel, die gerechten uit de echte Spaanse keuken, en met Britten en Nederlanders op het terras die servééésas vroegen en obers die hun ergernis daarbij vakkundig wegstaken. “Whatever”, dacht ze, “ik drink sangría, en naar omstandigheden is het eigenlijk wel nog een goeie”. Ze wist niet hoe ze hier uitgekomen was, aan de boulevard vol kinderen met snottebellen en mensen die teenslippers te letterlijk nemen en hun voeten weigeren op te heffen. Waze had haar naar het centrum geleid, of zij had Waze naar het centrum geleid, omdat ze 17 jaar geleden in Salou was en ze het misschien nog eens wou zien. En omdat ze haar benen moest strekken na 1427 kilometer, vermoedelijk. Ze had zicht op het strand, op een krioelen van mensen die zich een stukje zand toegeëigend hebben. Ze zag families, dynamieken, ruzies, en daartussen haar 11-jarige zelf. Op weg naar het strand, zeulend met emmertjes en een schop, en een opblaasbare matras in felroze en felblauw. Ze glimlachte, naar die strandtaferelen, maar ze voelde tegelijk hoe een misselijkheid haar bekroop, langzaam. Het moet die sangría zijn, die lelijke sangría met dat stomme rietje, dacht ze, ik had nooit dit terras mogen uitkiezen. Ze wou rechtstaan maar voelde zich te moe en te aandachtig tegelijk, alsof iets verlamde en iets waarschuwde. En ze dacht aan wat ze wist, maar niet wou weten, en ze voelde tranen wellen vanachter haar zonnebril, helemaal vanuit haar maag. Ze wist dat het de sangría niet was. 

Ze wist dat het om haar ging. Om 11-jarige Lize, het meisje dobberend op die luchtmatras. Dat onschuldig kind dat schuldig werd die vakantie. Want zíj had haar neefje van zeven in het zwembad geduwd. En ze hadden hem eruit moeten vissen. God, hij moest naar de dokter, want hij was zéker drie minuten onder water gebleven, had tante Ria geschreeuwd. Waarom had Lennert niet gewoon gezwommen? Hij was dat toch aan het leren? Hij was al zeven, had Lize gedacht. Zij kon het op haar vijfenhalf, en hij verdronk bijna toen hij zeven was. 

Lennert was het vervelende neefje. “Moet Lize ook mee?”, vroeg hij aan de ontbijttafel. En Elisabeth en Pieter hadden “jaaa-haa tuurlijk” geantwoord, en daarmee leek de kous af te zijn. Maar hij pakte Lizes schop af op het strand. Prikte met zand in haar ogen. Sloot haar uit. En toen Lize klaagde bij haar mama, troostte die, en zei ze: “ah Lize, het is een kleine jongen, jij weet toch beter”. Maar ze wist niet beter toen ze hem in het zwembad duwde. En toen nonkel Jan later die vakantie zei dat het haar schuld was en dat dit haar vergelding was, toen geloofde ze dat, en liet ze hem. Ze verstopte haar jurkje met gele vlinders, dat ene dat ze toen aanhad, diep in de vuilnisbak, daar waar het thuishoorde. 

“Fuck”, zei ze, en ze liet die lelijke sangría voor wat hij was. Ze viste een serviette op uit haar handtas, en belde een nummer. 
“Ik heb mezelf niet gevonden, bijlange bijlange nog niet, maar ik wil doodgraag Bonnieux zien.”

Gelezen (7): in mijn teerbemind lentezonnetje

Ik moest er even inkomen, in het lezen in quarantaine. Raar hè, want we hebben natuurlijk zeeën van tijd, het spoelt met golven aan, het schijnt dat we dan geen idee moeten hebben van wat we daarmee moeten aanvangen! Mijn leesdip heeft niet lang geduurd hoor, want het werd dan gewoon heel erg mooi weer, en ik doe niets liever dan lezen in mijn ligstoel. Ik denk zelfs dat ik zo wil sterven. Er lijkt mij niets mooiers dan sterven terwijl ik mijn boek dichtklap, verhaal net uitgelezen, nog een laatste hapje ijs met aardbei, de avondzon die het heeft gehad en ik die denk: awel, ik heb het ook gehad. Ik wens dat nu al, voor mezelf.

Maar goed, ik heb dus gelezen. Ik zal al verklappen dat ik vier goede boeken heb gelezen. Wauw! Ik heb dus ENORM genoten van mijn leesmomenten buiten, en ik hoop dat ik jullie kan inspireren met vier heel verschillende boeken.

Kleine brandjes overal – Celeste Ng

Van Celeste Ng las ik eerder al haar debuutroman, “wat ik nooit eerder heb gezegd”. Die viel in de smaak, dus ik las ook haar tweede boek. Opnieuw een psychologische roman, en ik vond hem even goed. In “kleine brandjes” begint het verhaal met Izzy die het huis in brand heeft gestoken. Zo, dan weet je dat ook weer, want daar gaat het verhaal helemaal niet over. Het gaat over moederschap, over verledens, over relaties tussen mensen, en over hoe vonkjes gesticht worden en leiden tot zoveel meer. Celeste Ng schrijft zo levensecht, en met één kleine zin kan ze geniaal en heel pakkend wendingen beschrijven in het verhaal. Aanrader!

De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween – Jonas Jonasson

Ik had nog nooit gelezen over Allan die 100 werd en besloot uit het raam te klimmen. Ik vind nu dat de hele wereld dat zou moeten doen. Allan heeft een euh, bijzonder verleden, is een tikje opportunistisch, en expert op gebied van explosieven. Hij blaast al eens wat op, maar niet in zijn gedachten, want Allan is heel nuchter. En zo heb ik ze graag, de mensen.

Het boek neemt je mee in Allans ontsnapping en neemt je mee op een roadtripachtige tocht, en neemt je ook nog eens mee in zijn verleden. In zijn jonge jaren bleek Allan door zijn expertise op het vlak van atoombommen vriendjes en vijanden geweest te zijn met president Truman, Stalin, Mao Zedong en meer van die historische figuren. Een beetje Forrest Gump-gewijs dus, maar net iets droger.

Je moet het lezen omdat ik luidop moest lachen, af en toe, en als dat gebeurt, dan is het nosmalltalkhumor. Droog, nuchter en een beetje ironisch. Ik zal in Zweden moeten gaan wonen, als het klimaat nog wat opwarmt.

Ook een aanrader dus, al moest ik heel hard in het boek komen – dus lees godjandorie door, da’s een verplichting.

Gij nu – Griet op de Beeck

Wat kan ik schrijven over Gij nu. Ik vermoed dat er geen enkele schrijver is die mij zo kan raken als Griet, en ik wist dat al. Ik lees haar boeken met mondjesmaat, omdat ze allemaal lezen te veel zou zijn. Soms kan je ook te veel mooie dingen lezen. En Griet schrijft niet eens òver mooie dingen, maar ze schrijft zo schoon. Gij nu is een verzameling kortverhalen. En de inhoud bekroop mij zo hard, dat ik niet eens durfde beginnen lezen.

“de angst voor het geluk, vaak groter dan die voor het verdriet”

Maar uiteraard heb ik wel durven lezen, zo’n onnozel schaap ben ik nu ook nog niet, en ik heb verhalen gelezen die mij ook bekropen, en zinnen die mij bekropen. Het was dus met veel bekruipen, allez, dat is duidelijk. Ik citeer, nog even, voorzichtig:

“Ah zo.” Weinig mensen konden zo veel bittere teleurstelling kwijt in twee zulke kleine woordjes.

Over eenzaamheid met grote klauwen. Over angst die altijd terugkomt, in wisselende gedaanten, als ratten die de buit nu eenmaal hebben geroken.

“Doodgaan, doet dat pijn, denkt gij?”

Lees het. Ik kan mij niet voorstellen dat je er spijt van zal hebben.

De alchemist – Paulo Coelho

Het boek dat vaak aangeraden wordt door een allegaartje aan auteurs, dat al lang op mijn wenslijstje stond van de bib en eens beschikbaar was. Ik dacht: oké, ik zal het dan lezen hè. Het is een boek dat nuchtere Kelly normaal niet zou bekijken – het leest wat als een sprookje en is eigenlijk één grote metafoor voor al wie twijfelt over zijn levenspaden. De onderliggende boodschap is dat als je iets wilt in het leven en je je droom wilt verwezelijken, het universum ervoor zal zorgen/je tekenen zal geven om die droom te doen lukken. Je moet je “eigen legende” volgen, dat is de weg naar geluk.

Ik denk dat ik nog nooit het woord levenspaden gebruikt heb en universum en tekenen nog nooit in één zin gezegd heb tenzij sarcastisch, maar met een alchemist erbij lukt schijnbaar alles. En ja, ik heb met mijn ogen gedraaid tijdens de alchemist. Maar ik heb ook een mooi boekje gelezen, vooral toen de alchemist in beeld kwam.

“Helaas volgen maar weinigen de weg die voor hen uitgestippeld is, en dat is de weg van de eigen legende en het geluk. Ze vinden de wereld bedreigend – en daarom wòrdt de wereld ook bedreigend.”

Er zijn stukken die nog even blijven hangen. Goh, zelfs bij mij.

Naast deze vier boeken is er nog een boek, een heel bijzonder boek, dat ik binnenkort graag met jullie wil delen. SPANNEND HE SEG!

Hoe is het met jullie leesavonturen gesteld? Even goed als met de mijne?