Snorkel – deel twee

Hier konden jullie al het eerste deel van het snorkelverhaal lezen, in het cameraperspectief. Dat betekende dat we niet wisten wat het personage dacht en dat jullie konden gokken wat er aan de hand was. Audrey dacht dat ze op zoek was naar een schat. Dat vond ik een goede suggestie, maar ik zou ik niet zijn mocht ik er geen onnozele zwier aan gegeven hebben. Enfin, het valt mee, ik doe anders veel onnozeler. Also: licht autobiografisch. Het was de dag dat probleem Femke ontstond. O, Femke!


Er zijn twee soorten mensen: zij die in het openbaar kunnen plassen en zij die dat niet kunnen. Ik behoor tot de laatste categorie. Ik zwem nochtans in een idyllisch meer, na de Egeïsche Zee is dit zeker de mooiste locatie waar ik heb proberen plassen. We hadden drie uur gereden en twee van die drie uur had ik geklaagd dat ik moest plassen, daar in de afgelegen bergen en tussen autodeuren had ik me bekeken gevoeld door onzichtbare krekels en had het gras te luid gekraakt. Bij dit meer waren geen openbare toiletten, alsof er werd gedacht dat zoveel water toch voldoende zou moeten zijn.

’Doe gewoon alsof je midden in het meer aan sightseeing doet’, denk ik, ‘en dan gewoon, plassen’. Ik knijp mijn ogen hard toe ter illustratie richting mijn brein, want hoe leeg je ook alweer zoiets banaals als een blaas? Net dan komt iemand in mijn diameter van tien zwemmen en vraag ik me af of iemand het voelen, zo’n golf water, voorverwarmd op lichaamstemperatuur. Een prettige 36 graden, dan verdacht, en dan een blik in mijn richting. Ik zwem verder volgens mijn sightseeingtruc, en schrik van een kind met een enorme snorkelbril. Het speurt de bodem af als een duikboot. Mijn blaas drukt maar het kind, dat kind zou met grote ogen boven water komen en voor het hele meer roepen: ‘mama, kijk, dat meisje heeft geplàst!’ Kan een blaas ontploffen? Ik laat me zakken naar de bodem, dat lijkt mij een goede plek om blazen te laten ontploffen.

Ik laat uw eten aanbranden aan 50 euro per uur (in ’t zwart)

In mijn laatste maandoverzicht dacht ik dat alles zo tof lijkt, en dat ik dus zeker ook eens moet zeggen wat ik tegenwoordig allemaal verpruts (veel). Ken je die ene persoon in de kamer die geen idee heeft waarover het gaat? Ik ben die persoon. Ter indicatie: af en toe vergeet ik dat het corona is.

Een kijkje in de dingen van de maand! Aan de titel kan je al vermoeden dat een aantal dingen te maken hebben met eten verbranden, maar technisch gezien is dat niet helemaal waar. Ik liet onbestaand eten verbranden, onder andere. Wat? Ja, talent, ik heb het met bakken en kruiken!

  • Ik ontdekte de kunst van een lege pot pasta te laten aanbranden. Weet je niet hoe dat kan? Ik leg het gaarne uit!
    1. heb het allemaal nog niet door en eet je pasta op ’t gemak op
    2. ruik een aanbrandgeur maar wees verbaasd, want de pan met overschot pasta en saus staat toch op een vuur dat uit is?
    3. als de aanbrandgeur blijft, stel je eigen kwaliteiten en gezond verstand dan NOG STEEDS NIET in vraag en begin gewoon op te ruimen en start aan de afwas
    4. pas als het lijkt alsof je eigen haar aan het verkolen is, kijk dan eens naar de andere pot die toevallig ook op het kookvuur zweeft en ontdek dan pas dat die op een warm vuur staat dat je vergeten uitdoen bent, en dat daar nog een halve centimeter aan pastasliert ligt te verkolen
    5. denk hard na: ‘hoe los ik dit nu op een volwassen, intelligente manier op?’ en giet er het bodempje van je glas water in zodat de pot en je hoofd heerlijk kan dampen
    6. (dat laatste moet je vooral niet doen)
  • Ik ging naar de tandarts. Ik heb daar schrik voor, voor tandartsen. Ik heb ooit eens een autobiografisch horrorverhaal geschreven omdat ik na de afspraak in de spiegel keek en een vampier zag, en ik heb toen letterlijk geschreven “ik word hier gefolterd en geslacht”. Enfin, ik moest op jaarlijkse controle, en dat was dus met mondmasker en dat hele gedoe. Ik besloot het mondmasker omgekeerd op te zetten. Het was een mondmasker waar dat duidelijk aan te zien was. De assistente keek alsof ik iemand was die speciale assitentie nodig had. Ik had geen gaatjes. Wel veel bloed.
  • Ik ging naar de bank om mijn autoverzekering bij Argenta te laten zetten, want ik vind hen wel leuk en vooral goedkoper. De bankdirecteur vraagt: ‘heb je je oude polis mee?’ Ik zie hem denken: ‘juist, die Kelly weet nooit iets, ik had haar moeten waarschuwen. Mongool.’ Nee, dat heb ik dus niet. ‘Ik heb die ooit gemaild!’, roep ik. Een jaar geleden. GDPR, die mail is weg. Ik zoek hem op mijn eigen telefoon. Blijk ik de achterkant gemaild te hebben. Ik moet terug naar huis rijden, die polis zoeken, terwijl ik in de auto denk: god, heb ik dat toch nog niet weggesmeten??? Enfin, als ik iets goed gedaan heb dit jaar is dat ik een stapel papieren bijhoud en dat die polis daar nog tussen zat. Goed hè!
  • We gaan terug koken, dat is leuk. Wie mij volgt op tha gram zag al dat ik pannenkoeken bakte op een donderdagavond. Wie mij volgt zag niet dat mijn mixer begon te roken. IK WEET NIET WAAROM. Ik maakte deeg: ik plof bloem, eieren en melk in een pot. De batterijen van mijn weegschaal zijn leeg, en die batterij is zo’n schijf, dus de conclusie is dat ik geen weegschaal heb. Ik schatte de bloem dus ergens op 250 gram, ik plofte, en ik mixte gretig met de mixer die ik al zo’n jaar niet meer gebruikt heb. En toen rook ik iets. Ik dacht: heb ik de mixer vorig jaar niet goed afgewassen ofzo, ma eih Kelly? Maar (gelukkig) besefte ik snel: dit is chemisch. Dit ruikt naar lessen natuurwetenschappen waar de school gaat ontploffen. Dus ik trok mijn stopcontact uit en trok mijn mixer en dat opzetstuk uit elkaar en zag dat mijn mixer al vrolijk aan het roken en aan het verbranden was. Of dat dat aan mij ligt of aan het feit dat die mixer van de Aldi komt, dat weet ik niet.
  • Als afsluiter ging ik nog eens romige pasta maken. Ik had mijn champignons gesneden en gebakken, dus ik kapte zure room in mijn pan. (Wie opmerkzaam is, merkt dat ik geen voorzichtige kok ben. Ik doe namelijk aan ploffen en aan kappen, en ook aan kuisen want alles belandt altijd op de grond. Tot nu toe nog geen vingers, dat vind ik wel opmerkelijk want ik heb hier eens geschreven dat ik voorspel ooit in het ziekenhuis te belanden nadat ik drie vingers heb afgesneden en er maar twee heb teruggevonden. Enfin). Toen de room in de pan gekapt was, dacht ik alleen: tiens, ik had nu toch room van het merk Delhaize gekocht en niet van Inex vandaag? Zo raar? En toen was ik mezelf eerst wat aan het gaslighten maar keek ik daarna in de frigo en zag ik ongeopende zure room van Delhaize! Toen begon het: ik keek naar het doosje Inex room en daar stond: na opening maximum drie dagen bewaren. Nu ben ik geen vieze en eet ik vrolijk chips van de grond die ik daar niet zien vallen heb, maar ik kon mij niet herinneren wanneer ik die room gekocht had. Je zou dus kunnen stellen dat er zich een probleem voordeed, want dat betekende dat er room bij mijn champigons aan het pruttelen was van ettelijke maanden oud. En toen moest ik walgen toen ik mijn champignons vol vieze oude room rook. ik moest bijna huilen. (Dat is niet waar, ik heb ermee gelachen, maar dat leek me geen passend dramatisch element binnen de tekst.)

Ik kan hieruit alleen maar conculderen dat na het lezen van deze tekst niemand nog zal willen dat ik kok van dienst ben, en dat ik dus nog zo onintelligent niet blijk te zijn.

Snorkel

My dear amigos, ik heb weer een verhaal van de week voor jullie. Het is maar een heel kort verhaaltje: het moest in maximum 250 woorden. Bovendien een interactief verhaal want het is met een spelletje voor jullie (say whaaaat), dus dat vinden we allemaal leuk. Het zit zo: dit verhaal is geschreven in het camerapersectief. Dat bestaat niet officieel maar is een variant op het hij-perspectief: je kijkt dus met een camera van bovenaf naar het verhaal. Normaal schrijf ik liefst vanuit het ik-perspectief (voor de aandachtigen en anders weet ge ’t nu), maar nu wist ik dus eigenlijk helemaal niet wat mijn personage dacht, of voelde, of écht aan het doen was.

Jullie dus ook niet. Jullie mogen daar wel een gokje naar doen! Na het lezen van dit stukje zal duidelijk worden dat er iets aan de hand is met het personage. Ze denkt iets, ze voelt iets, of ze is iets van plan. De vraag is: wat? Reageer gerust in de comments onderaan, of stuur mij een anoniem mailtje als je plannen met het personage te pikant zijn. Alles kan! Volgende week plaats ik met plezier het stukje vanuit het ik-perspectief en lezen jullie wat er echt aan de hand is 😀


Er was iets aan het gebeuren, linksachter het meer. Ze staarde, met een priemende blik. Met haar armen waadde ze door het water, maakte ze kringetjes alsof het water alles mocht doen behalve stilstaan. Ze liet haar armen pas los toen er iemand achteraan, bij het riet onstuimig in crawlslag kwam zwemmen. Het was alsof alleen zij voor beweging mocht zorgen. Ze zwom verder, richting ondieper water. Bleef stilstaan in een modderige bodem. De kringetjes van haar armen stroomden zacht tussen haar gebruinde vingers. Gieren vlogen luid over.
Ze bleef onverstoorbaar richting dat ene punt linksachter het meer kijken, steeds met kleine ogen, hoewel de zon achter haar rug scheen. Ze leek iets in te schatten, een persoon misschien. Alsof ze er iets onmenselijk mee zou willen doen. Het staren bleef duren tot ze schrok van een kind met een snorkeluitrusting die totaal ongepast leek voor een ondoorzichtig meer als dit, waar ongetwijfeld niets anders in te zien valt dan een verdwaalde steen.

Het kind moet haar plan met de persoon in de verte in de war gebracht hebben, want ze zette zich af tegen de modderige grond en liet zich zakken naar de bodem van het meer. Ze bleef onzichtbaar tot het wateroppervlak boven haar rustig en zacht werd, alsof er nooit iemand was gezonken. Iets verderop kwam ze wild boven, liet ze het kind met de snorkelbril schrikken, en zwom ze krachtig in de richting van het punt linksachter het meer.

10 oktober: verjaren, zwarte lijst en paraderen

Ai, oktober! De maand ging heel snel vooruit. Dat vind ik wel leuk, want we tellen af naar de lente. Over ronnie coronnie heb ik al gezaagd (ik vind het grappig hoe iedereen tegenwoordig bijnamen geeft aan corona alsof ze onze beste maat is, maar zoals frommelrommel zegt, eigenlijk is ’t een vuiloer). Please doet allemaal eens deftig zodat ik tijdens kerst een tripke naar de zon kan maken. Ik weet, dat is een onrealitisch plan, maar laat mij.

Ik blader even terug naar begin oktober. Het was werelddierendag en dat had Jane natuurlijk goed begrepen. Fuck dierendag, dacht zij, het moet hier elke dag dierendag zijn: voor minder doe ik het niet. Ze beeldt op de eerste foto ook wel de manier waarop ik om aandacht vraag uit. Mijn kat is een meme! Ik maakte ook van de uitzondering dat ze op mijn schoot lag gebruik om een foto te nemen. Jane is zo’n kat die HOOGSTENS tegen mij aan komt liggen, en het vijf keer per jaar tolereert dat ik haar op mijn schoot neem. Verder loopt ze wel de hele dag te spinnen, dus ik denk dat ze mij apprecieert. (Haar staart beweegt ook wel continu, en dat zou irritatie zijn, dus ik ben het ook niet helemaal zeker). Daarnaast maakte ik ook veggie lasagne maar ik stond gigantisch lang in de keuken (dat komt omdat ik dat niet ken, efficiëntie) en zette ik lasagne op de zwarte lijst in de keuken. Het was wel lekker, kan ik dat toch nog. Ik maakte daarna romige pasta (15 minuten werk, ik verkies zo’n dingen) en nog een ander pastarecept uit de Libelle. Ik deed ook aan spruitjes met ketchup, aan kaasplank en uit-er-aard aan frieten.

Ik vierde ook mijn verjaardag! HOER-A! Ik ging deftig en keilekker eten. Het was er wel aan te merken dat ik mijn honger had gespaard en dat het met aperitiefke en aangepaste wijnen was. HOER-A! Het smaakte zo hard, en ik kan daar zo van genieten om correct bediend te worden. Een geluk zeg dat de restaurants nog open waren toen, ’t was een nipte. Als cadeau kreeg ik ook echt zeeeer mooie laarsjes (ik had ze getipt). Het hartverscheurende probleem is dat alles dicht is en ik thuis werk, en ik mijn laarzen dus nergens kan showen. Behaaaalveeee in de supermarkt! Dus ik paradeer als een fancy mormel met hakken van 10 cm tussen het fruit en de chocolade omdat alles kan. Ze zijn donkergroen trouwens, want een foto is ook maar een foto en hoe neem je ook een foto van schoenen?

Ik ontdekte verder ook OPEENS paddenstoelen in mijn tuin en ik moest daar te hard om lachen. Op tv kijk ik Ratched en vind ik dat goed – dat lachje van Mildred op het einde van de intro is trouwens exact deze smiley: 🙂 Ik ben ook blij dat Wim Opbrouck danste op Whistle while you work en ik kijk de slimste mens en ben helemaal in awe met Delphine Lecompte. Daarnaast is mijn coronacoupe 2.0 ook al begonnen. Ik weet niet hoé ik daarin slaag, maar ik ga dus om het half jaar naar de kapper. Begin dit jaar moest het ergens in maart maar toen moesten ze sluiten en werd het mei. In november was ik weer aan de beurt, EN NU IS HET VERBODEN. Ik plan mijn kappersbezoeken dus altijd precies als kappers moeten sluiten. Ik herhaal: voor efficiëntie moet je niet bij mij zijn.

HAHAHAHAHAHA

Uiteraard was er ook mijn schrijfcursus waar ik toch het één en het ander bijleerde en waar ik vooral moést schrijven, ook al was mijn eerste gevoel meestal “maar ik weet hier toch niets bij”. Meestal deed ik daar toch mijn ding mee, dus dat versterkte mijn stijl dan ook wel wat vond ik. Mijn toetsenbord heeft vrolijk getokkeld en mijn pen heeft duchtig geschreven, van die dingen hè. Tof tof tof, ga ik nog doen. Ik volg ook mijn cursus ceremoniespreken online en dat is ook allemaal tof.

En dan, wat heb ik nog te zeggen? O ja, ik kocht een leuk bijzettafeltje in de kringloopwinkel. Het zou oorspronkelijk een naaikastje zijn, maar ja, nu is het een bijzettafel voor boeken en mijn koffietas en nog meer dingen die daar op zullen slingeren. Ik schilderde ook een ijsvogel en ik moet zeggen dat ik hem nog leuk vind. Ahja, en stad Gent vindt mij als autobestuurder minder leuk. Ik vond stad Gent met de auto hiervoor ook al niet leuk, maar nu nog veel minder. NEH.

Aan Halloween doe ik niet mee (behalve dan in Ratched want daarin verbranden ze je levend in bad, vond ik heel grappig) maar een liedje kan wel. Ah ik sloot deze maand trouwens af met the greatest switch op Stubru! #knaldrang enzo.

Verse vork

De fictie na mijn schrijfcursus gaat nog even door, en gaat deze week over een vork. Ik vind dit net iets meer mijn stijl dan het vorige verhaal, maar écht waar: alle feedback is welkom. De opdracht was trouwens: een personage gaat een restaurant binnen en gaat weer buiten, let op de ruimte/sfeerschepping. O, die goede mooie tijd van de restaurants. Je moest dus niet over vorken schrijven, dat heb ik erbij geplakt. Het was grappig hoe anderen schreven over daten enkel voor het eten (inspiratiebronnen alom) of over criniclowns die werken in het restaurant.


Ik dacht toen dat mijn eerste glas rode wijn van de herfst niet beter kon worden dan daar, met de open haard in mijn rug waardoor deze keer enkel mijn schouders konden blozen. De koude verstopte ons weer binnen, we zaten aan een tafel die niet wiebelde en op zachte stoelen waar ik mijn billen niet vanaf moest trekken. Door de lamellen zag ik de autolichten buiten in streepjes passeren, zag ik mensen in twijfel of het te dramatisch was om lichten aan te steken en zag ze dan maar kijken naar wat een ander doet. Ik werd rustig van het zachtere licht, van het gevoel dat vallen mogelijk was nu. Ik hield mijn wijsvinger boven de vlam van de kaars op tafel, net niet te dicht om me te verbranden.

Mijn date, die in de fase was van goed genoeg om mee buiten te komen maar nooit goed genoeg om werkelijk aan mijn vrienden te laten zien, nam mijn hand van aan de andere kant van de tafel. Mijn hand was warmer dan de zijne. Ik behoor tot dat raar soort mensen dat altijd warme handen heeft, die daar altijd een verklaring voor moet geven. Hij had mijn wijn gekozen, zorgvuldig als altijd. Lichtrood en gekoeld, dat vond hij passend. Ik ook. Dat zorgvuldig kiezen van hem was de reden geweest dat ik ja zei op zijn voorstellen en hem op mijn beurt meevroeg naar restaurants en naar binnen, want ik veronderstelde dat hij mij dan ook wel zorgvuldig had uitgekozen. Ik liet zijn hand los en draaide mijn wijn onhandig rond in mijn glas.
 ‘Ik ga naar het toilet.’

Mijn hakken tikten op de grote, zwarte tegelvloer. Ik hoorde van iedereen dat mijn voetstappen een typisch geluid maakten. Kort en vrolijk: het zijn altijd de kleine dingen die ironisch zijn. Ik tikte verder, probeerde even in maat te lopen met de pianomuziek die te luid speelde: sneller, minder mezelf. Ik legde mijn krullen over mijn rechterschouder en toen, achter een vaas gele bloemen die ongepast naar de lente roken, zag ik die lange wimpers. Even ongepast. Lange wimpers konden nooit zo bedoeld zijn. Hij had mij nog niet gezien, mijn stap daarnet niet herkend. Hij lachte om iets wat één van zijn tafelgenoten vertelde en met veel gebaren uitbeeldde, speelde intussen met het zoutvat op tafel. Zijn donkerblauwe hemd zat nonchalant in zijn broek en zijn portefeuille lag achteloos op tafel. Zijn lachrimpels waren zorgeloos. Ik stond achter die gigantische bos bloemen op de kast, die gele gerbera’s, die verse witte lelies en die takken, al die takken. Die buffetkast met schuiven en deuren, glimmend en robuust, al die broodmanden met vers gesneden brood en de boter, zachter dan ik, perfect op kamertemperatuur. Bloemen en takken groter dan ik. Vanachter het boeket keek ik opnieuw naar die wimpers, langer dan de mijne. Alles was meer dan ik. Het plafond voelde hoger, de pianomuziek nog luider, de frituurgeur sterker. Die wimpers. Ik duizelde. Het waren die avonden waarbij onze glazen omvielen in het gras, waarbij we stonken naar vijfendertig graden en water van het kanaal, waarbij ik zijn wimpers had geteld en mijn vingers hadden geplakt naar restjes zonnecrème. Niemand leek dat erg te vinden. Ik had mijn vingers verbrand, ik was te dicht gekomen bij dingen die te licht voor mij waren. 

Op de buffetkast vond ik een vork. Het was een verse, eenzame vork, die niet in de besteklade lag en niet vergezeld was van een lepel of een mes, en daar zo speciaal achtergelaten was voor mij. Ze blonk, ik wreef er zacht over met mijn duim en zag mijn reflectie. Mijn krullen dansten in het staal, en ik streek over de tanden, zachtjes heen en weer. Ik keek op en zag zijn nek, die stoppels van anderhalve dag oud tussen de wilde bloemen en weelderige takken. Mijn vingers klemden rond de vork, de tanden prikten in mijn vingertoppen: zo onschuldig en zo pijnlijk tegelijk. Ik ontspande mijn vingers opnieuw. Ik zag mijn vork landen tussen zijn stoppels en zijn kaaklijn, snel en scherp, daar waar zijn hals ademhaalt. Geen spoortje bloed. Geen spoortje adem. Hij zou schrikken. Zijn tafelgenoten zouden schrikken. De vork zou enkele seconden trots blijven steken en in die seconden zou hij mijn voetstappen slechts herinneren, in de verte. Hij zou zich later afvragen of hij ze niet had ingebeeld.
Ik keek achterom: er was enkel een tafel in de hoek bezet, kinderen op de iPad, ouders die vlees verwoed in stukken sneden. Geen complimenten voor de kok. Het zouden slechts de bloemen zijn die bewegen. Ik ademde diep in. 

Ik tikte terug naar mijn tafel, kort en vrolijk.
‘Ik wil weg’, zei ik.  
Mijn date keek op van zijn menukaart, fronsend, zijn mond in iets dat hij zelf nog niet kon plaatsen. Zijn ogen waren te klein, het was eigenlijk geen zicht. Ik deed mijn jas al aan. Daar, in één beweging barstte mijn elegante glas in grote stukken en droop lichtrood langs het lederen tafelkleed naar beneden. Ik blies de kaars uit en liet de wijn rustig tikken op de grond. Ik wou me spiegelen in de plas op de tegels, spiegeltje spiegeltje op de grond, maar ik deed mijn schoenen uit en slofte op mijn panty’s weg. Er verschoven een paar stoelen in de zaal.

Kelly’s bevindingen #9: het omgekeerde van smetvrees

Ik heb al eens tegen mijn vriendinnen verkondigd dat ik “wellicht het omgekeerde van smetvrees heb”. Ik verkondigde dat deze zomer nog op een volle dijk aan zee, ik ga dat niet meer doen. Of misschien wel, want er werd gedacht dat ik corona verspreidde door te gewoon te bestaan. Dat was heerlijk, in feite. Te noteren. 

Dat “omgekeerde van smetvrees”, dat is een dingetje. Smetvrees, daarvoor moet je eigenlijk terug naar precorona. Toen waren er al mensen die desinfecterende gels meesleurden, die liever geen deurklinken aanraakten, die hun handen ontsmetten nadat ze geld hadden aangeraakt. Die sandalen boven blote voeten verkozen. 

Ik was dus niet zo’n mens. Je kan dat fout of juist vinden van mij, dat maakt mij weinig uit. Alleszins: ik was zo’n dartelend veulen op blote voeten: in het zand, op de dijk aan zee, op het terras met een wijntje, tot ik naar het toilet moest en een vriendin zou zeggen: doe normaal en doet uw schoenen aan. Ik deed aan nagelbijten nadat ik geld gewisseld had, wroette met mijn handen tussen regenwormen en pissebedden. Ik waste mijn handen als ze vuil waren of plakten, dat was het. 

EN NU. BEGRIJP JE IN WAT VOOR WERELD IK BEN BELAND. 

Ik ga shoppen en aan de deur van elke winkel staat een gigantische pomp ontsmettingsgel. Als ik daar durf voorbijlopen omdat mijn handen nog plakken van de gel in de vorige winkel, word ik tegengehouden. Ik ben een crimineel! Ik moet winkelkarren ontsmetten. Handen wassen wassen wassen van zodra ik één stap buitenshuis zet. Want dat plakt overal op! Ik kijk naar mijn champignons en denk: tja, ik mag jullie niet wassen he, ik zal jullie met corona enal gewoon moeten opeten dan. 

Dat mondmasker moet overal op en ik ben er nog steeds niet aan gewend, nee. Ik mis zoveel gezichtsuitdrukkingen. Op de trein zat een man met een hond, en ik kon niet zien of de man glimlachte, of hij het oké vond dat ik zijn hond aaide. Ik vind het niet passend. Ik zal dat nooit vinden, maar hé, ik weet ook wel dat dat moet. 

Als ik wijntjes of koffietjes ga drinken dan hangen er plastieken schermen tussen tafeltjes. Ik zit buiten zolang het kan. Ik word gelukkig wel nog herkend als ik binnenkom, ook al zit half mijn gezicht bedekt onder stof. Ik blijf tot 1 uur, 23 uur. Dan moet dat allemaal toe, want het ligt aan die plastic schermen en aan het buiten zitten en aan de tafels die verder uit elkaar stonden dan ooit. Niet aan overvolle treinen richting kust, waarbij een vrouw tegen mij aan leunt wegens plaatsgebrek, zeer zeker niet. Vraagtekens en veel spijt. Voor al wie in de horeca werkt en bleef nadenken over hoe het veilig kon, en dan de deuren moest sluiten. Voor mezelf ook ja, want daar gaat dat lekkere eten en dat kunnen showen van mijn nieuwe schoenen. Een groot deel van mijn sociaal leven ook, gewoon.

Tja. We zien ziekenhuizen vol coronabedden, mensen aan ingewikkelde beademingstoestellen. We willen geen bedden te weinig, we willen geen reguliere zorg die stopgezet wordt. Dus ik ontsmet mijn handen toch. Was ze flink en lang genoeg, denk ik. Wat kan ik anders?
We zien ook heel veel niet. We horen eens iets waaien uit de entertainmentsector, horen dat er jobverlies is, we lezen eens dat eenzaamheid groeit. Dat zelfdoding stijgt, niet zomaar, niet onwillekeurig. We zién dat niet genoeg. Ik denk dat daar een deel van het probleem zit. Wat dan met de mentale gezondheid, van iedereen? Kwetsbaarheid is soms ook maar een leeg begrip – je moet dat kunnen, zoiets. Ik kan ook maar denken en iets vinden. Ik onthoud: “mensen zijn woke en intussen slaapt hun empathie”.

@jef.eagl Instagram