Snorkel

My dear amigos, ik heb weer een verhaal van de week voor jullie. Het is maar een heel kort verhaaltje: het moest in maximum 250 woorden. Bovendien een interactief verhaal want het is met een spelletje voor jullie (say whaaaat), dus dat vinden we allemaal leuk. Het zit zo: dit verhaal is geschreven in het camerapersectief. Dat bestaat niet officieel maar is een variant op het hij-perspectief: je kijkt dus met een camera van bovenaf naar het verhaal. Normaal schrijf ik liefst vanuit het ik-perspectief (voor de aandachtigen en anders weet ge ’t nu), maar nu wist ik dus eigenlijk helemaal niet wat mijn personage dacht, of voelde, of écht aan het doen was.

Jullie dus ook niet. Jullie mogen daar wel een gokje naar doen! Na het lezen van dit stukje zal duidelijk worden dat er iets aan de hand is met het personage. Ze denkt iets, ze voelt iets, of ze is iets van plan. De vraag is: wat? Reageer gerust in de comments onderaan, of stuur mij een anoniem mailtje als je plannen met het personage te pikant zijn. Alles kan! Volgende week plaats ik met plezier het stukje vanuit het ik-perspectief en lezen jullie wat er echt aan de hand is 😀


Er was iets aan het gebeuren, linksachter het meer. Ze staarde, met een priemende blik. Met haar armen waadde ze door het water, maakte ze kringetjes alsof het water alles mocht doen behalve stilstaan. Ze liet haar armen pas los toen er iemand achteraan, bij het riet onstuimig in crawlslag kwam zwemmen. Het was alsof alleen zij voor beweging mocht zorgen. Ze zwom verder, richting ondieper water. Bleef stilstaan in een modderige bodem. De kringetjes van haar armen stroomden zacht tussen haar gebruinde vingers. Gieren vlogen luid over.
Ze bleef onverstoorbaar richting dat ene punt linksachter het meer kijken, steeds met kleine ogen, hoewel de zon achter haar rug scheen. Ze leek iets in te schatten, een persoon misschien. Alsof ze er iets onmenselijk mee zou willen doen. Het staren bleef duren tot ze schrok van een kind met een snorkeluitrusting die totaal ongepast leek voor een ondoorzichtig meer als dit, waar ongetwijfeld niets anders in te zien valt dan een verdwaalde steen.

Het kind moet haar plan met de persoon in de verte in de war gebracht hebben, want ze zette zich af tegen de modderige grond en liet zich zakken naar de bodem van het meer. Ze bleef onzichtbaar tot het wateroppervlak boven haar rustig en zacht werd, alsof er nooit iemand was gezonken. Iets verderop kwam ze wild boven, liet ze het kind met de snorkelbril schrikken, en zwom ze krachtig in de richting van het punt linksachter het meer.

10 oktober: verjaren, zwarte lijst en paraderen

Ai, oktober! De maand ging heel snel vooruit. Dat vind ik wel leuk, want we tellen af naar de lente. Over ronnie coronnie heb ik al gezaagd (ik vind het grappig hoe iedereen tegenwoordig bijnamen geeft aan corona alsof ze onze beste maat is, maar zoals frommelrommel zegt, eigenlijk is ’t een vuiloer). Please doet allemaal eens deftig zodat ik tijdens kerst een tripke naar de zon kan maken. Ik weet, dat is een onrealitisch plan, maar laat mij.

Ik blader even terug naar begin oktober. Het was werelddierendag en dat had Jane natuurlijk goed begrepen. Fuck dierendag, dacht zij, het moet hier elke dag dierendag zijn: voor minder doe ik het niet. Ze beeldt op de eerste foto ook wel de manier waarop ik om aandacht vraag uit. Mijn kat is een meme! Ik maakte ook van de uitzondering dat ze op mijn schoot lag gebruik om een foto te nemen. Jane is zo’n kat die HOOGSTENS tegen mij aan komt liggen, en het vijf keer per jaar tolereert dat ik haar op mijn schoot neem. Verder loopt ze wel de hele dag te spinnen, dus ik denk dat ze mij apprecieert. (Haar staart beweegt ook wel continu, en dat zou irritatie zijn, dus ik ben het ook niet helemaal zeker). Daarnaast maakte ik ook veggie lasagne maar ik stond gigantisch lang in de keuken (dat komt omdat ik dat niet ken, efficiëntie) en zette ik lasagne op de zwarte lijst in de keuken. Het was wel lekker, kan ik dat toch nog. Ik maakte daarna romige pasta (15 minuten werk, ik verkies zo’n dingen) en nog een ander pastarecept uit de Libelle. Ik deed ook aan spruitjes met ketchup, aan kaasplank en uit-er-aard aan frieten.

Ik vierde ook mijn verjaardag! HOER-A! Ik ging deftig en keilekker eten. Het was er wel aan te merken dat ik mijn honger had gespaard en dat het met aperitiefke en aangepaste wijnen was. HOER-A! Het smaakte zo hard, en ik kan daar zo van genieten om correct bediend te worden. Een geluk zeg dat de restaurants nog open waren toen, ’t was een nipte. Als cadeau kreeg ik ook echt zeeeer mooie laarsjes (ik had ze getipt). Het hartverscheurende probleem is dat alles dicht is en ik thuis werk, en ik mijn laarzen dus nergens kan showen. Behaaaalveeee in de supermarkt! Dus ik paradeer als een fancy mormel met hakken van 10 cm tussen het fruit en de chocolade omdat alles kan. Ze zijn donkergroen trouwens, want een foto is ook maar een foto en hoe neem je ook een foto van schoenen?

Ik ontdekte verder ook OPEENS paddenstoelen in mijn tuin en ik moest daar te hard om lachen. Op tv kijk ik Ratched en vind ik dat goed – dat lachje van Mildred op het einde van de intro is trouwens exact deze smiley: 🙂 Ik ben ook blij dat Wim Opbrouck danste op Whistle while you work en ik kijk de slimste mens en ben helemaal in awe met Delphine Lecompte. Daarnaast is mijn coronacoupe 2.0 ook al begonnen. Ik weet niet hoé ik daarin slaag, maar ik ga dus om het half jaar naar de kapper. Begin dit jaar moest het ergens in maart maar toen moesten ze sluiten en werd het mei. In november was ik weer aan de beurt, EN NU IS HET VERBODEN. Ik plan mijn kappersbezoeken dus altijd precies als kappers moeten sluiten. Ik herhaal: voor efficiëntie moet je niet bij mij zijn.

HAHAHAHAHAHA

Uiteraard was er ook mijn schrijfcursus waar ik toch het één en het ander bijleerde en waar ik vooral moést schrijven, ook al was mijn eerste gevoel meestal “maar ik weet hier toch niets bij”. Meestal deed ik daar toch mijn ding mee, dus dat versterkte mijn stijl dan ook wel wat vond ik. Mijn toetsenbord heeft vrolijk getokkeld en mijn pen heeft duchtig geschreven, van die dingen hè. Tof tof tof, ga ik nog doen. Ik volg ook mijn cursus ceremoniespreken online en dat is ook allemaal tof.

En dan, wat heb ik nog te zeggen? O ja, ik kocht een leuk bijzettafeltje in de kringloopwinkel. Het zou oorspronkelijk een naaikastje zijn, maar ja, nu is het een bijzettafel voor boeken en mijn koffietas en nog meer dingen die daar op zullen slingeren. Ik schilderde ook een ijsvogel en ik moet zeggen dat ik hem nog leuk vind. Ahja, en stad Gent vindt mij als autobestuurder minder leuk. Ik vond stad Gent met de auto hiervoor ook al niet leuk, maar nu nog veel minder. NEH.

Aan Halloween doe ik niet mee (behalve dan in Ratched want daarin verbranden ze je levend in bad, vond ik heel grappig) maar een liedje kan wel. Ah ik sloot deze maand trouwens af met the greatest switch op Stubru! #knaldrang enzo.

Verse vork

De fictie na mijn schrijfcursus gaat nog even door, en gaat deze week over een vork. Ik vind dit net iets meer mijn stijl dan het vorige verhaal, maar écht waar: alle feedback is welkom. De opdracht was trouwens: een personage gaat een restaurant binnen en gaat weer buiten, let op de ruimte/sfeerschepping. O, die goede mooie tijd van de restaurants. Je moest dus niet over vorken schrijven, dat heb ik erbij geplakt. Het was grappig hoe anderen schreven over daten enkel voor het eten (inspiratiebronnen alom) of over criniclowns die werken in het restaurant.


Ik dacht toen dat mijn eerste glas rode wijn van de herfst niet beter kon worden dan daar, met de open haard in mijn rug waardoor deze keer enkel mijn schouders konden blozen. De koude verstopte ons weer binnen, we zaten aan een tafel die niet wiebelde en op zachte stoelen waar ik mijn billen niet vanaf moest trekken. Door de lamellen zag ik de autolichten buiten in streepjes passeren, zag ik mensen in twijfel of het te dramatisch was om lichten aan te steken en zag ze dan maar kijken naar wat een ander doet. Ik werd rustig van het zachtere licht, van het gevoel dat vallen mogelijk was nu. Ik hield mijn wijsvinger boven de vlam van de kaars op tafel, net niet te dicht om me te verbranden.

Mijn date, die in de fase was van goed genoeg om mee buiten te komen maar nooit goed genoeg om werkelijk aan mijn vrienden te laten zien, nam mijn hand van aan de andere kant van de tafel. Mijn hand was warmer dan de zijne. Ik behoor tot dat raar soort mensen dat altijd warme handen heeft, die daar altijd een verklaring voor moet geven. Hij had mijn wijn gekozen, zorgvuldig als altijd. Lichtrood en gekoeld, dat vond hij passend. Ik ook. Dat zorgvuldig kiezen van hem was de reden geweest dat ik ja zei op zijn voorstellen en hem op mijn beurt meevroeg naar restaurants en naar binnen, want ik veronderstelde dat hij mij dan ook wel zorgvuldig had uitgekozen. Ik liet zijn hand los en draaide mijn wijn onhandig rond in mijn glas.
 ‘Ik ga naar het toilet.’

Mijn hakken tikten op de grote, zwarte tegelvloer. Ik hoorde van iedereen dat mijn voetstappen een typisch geluid maakten. Kort en vrolijk: het zijn altijd de kleine dingen die ironisch zijn. Ik tikte verder, probeerde even in maat te lopen met de pianomuziek die te luid speelde: sneller, minder mezelf. Ik legde mijn krullen over mijn rechterschouder en toen, achter een vaas gele bloemen die ongepast naar de lente roken, zag ik die lange wimpers. Even ongepast. Lange wimpers konden nooit zo bedoeld zijn. Hij had mij nog niet gezien, mijn stap daarnet niet herkend. Hij lachte om iets wat één van zijn tafelgenoten vertelde en met veel gebaren uitbeeldde, speelde intussen met het zoutvat op tafel. Zijn donkerblauwe hemd zat nonchalant in zijn broek en zijn portefeuille lag achteloos op tafel. Zijn lachrimpels waren zorgeloos. Ik stond achter die gigantische bos bloemen op de kast, die gele gerbera’s, die verse witte lelies en die takken, al die takken. Die buffetkast met schuiven en deuren, glimmend en robuust, al die broodmanden met vers gesneden brood en de boter, zachter dan ik, perfect op kamertemperatuur. Bloemen en takken groter dan ik. Vanachter het boeket keek ik opnieuw naar die wimpers, langer dan de mijne. Alles was meer dan ik. Het plafond voelde hoger, de pianomuziek nog luider, de frituurgeur sterker. Die wimpers. Ik duizelde. Het waren die avonden waarbij onze glazen omvielen in het gras, waarbij we stonken naar vijfendertig graden en water van het kanaal, waarbij ik zijn wimpers had geteld en mijn vingers hadden geplakt naar restjes zonnecrème. Niemand leek dat erg te vinden. Ik had mijn vingers verbrand, ik was te dicht gekomen bij dingen die te licht voor mij waren. 

Op de buffetkast vond ik een vork. Het was een verse, eenzame vork, die niet in de besteklade lag en niet vergezeld was van een lepel of een mes, en daar zo speciaal achtergelaten was voor mij. Ze blonk, ik wreef er zacht over met mijn duim en zag mijn reflectie. Mijn krullen dansten in het staal, en ik streek over de tanden, zachtjes heen en weer. Ik keek op en zag zijn nek, die stoppels van anderhalve dag oud tussen de wilde bloemen en weelderige takken. Mijn vingers klemden rond de vork, de tanden prikten in mijn vingertoppen: zo onschuldig en zo pijnlijk tegelijk. Ik ontspande mijn vingers opnieuw. Ik zag mijn vork landen tussen zijn stoppels en zijn kaaklijn, snel en scherp, daar waar zijn hals ademhaalt. Geen spoortje bloed. Geen spoortje adem. Hij zou schrikken. Zijn tafelgenoten zouden schrikken. De vork zou enkele seconden trots blijven steken en in die seconden zou hij mijn voetstappen slechts herinneren, in de verte. Hij zou zich later afvragen of hij ze niet had ingebeeld.
Ik keek achterom: er was enkel een tafel in de hoek bezet, kinderen op de iPad, ouders die vlees verwoed in stukken sneden. Geen complimenten voor de kok. Het zouden slechts de bloemen zijn die bewegen. Ik ademde diep in. 

Ik tikte terug naar mijn tafel, kort en vrolijk.
‘Ik wil weg’, zei ik.  
Mijn date keek op van zijn menukaart, fronsend, zijn mond in iets dat hij zelf nog niet kon plaatsen. Zijn ogen waren te klein, het was eigenlijk geen zicht. Ik deed mijn jas al aan. Daar, in één beweging barstte mijn elegante glas in grote stukken en droop lichtrood langs het lederen tafelkleed naar beneden. Ik blies de kaars uit en liet de wijn rustig tikken op de grond. Ik wou me spiegelen in de plas op de tegels, spiegeltje spiegeltje op de grond, maar ik deed mijn schoenen uit en slofte op mijn panty’s weg. Er verschoven een paar stoelen in de zaal.

Kelly’s bevindingen #9: het omgekeerde van smetvrees

Ik heb al eens tegen mijn vriendinnen verkondigd dat ik “wellicht het omgekeerde van smetvrees heb”. Ik verkondigde dat deze zomer nog op een volle dijk aan zee, ik ga dat niet meer doen. Of misschien wel, want er werd gedacht dat ik corona verspreidde door te gewoon te bestaan. Dat was heerlijk, in feite. Te noteren. 

Dat “omgekeerde van smetvrees”, dat is een dingetje. Smetvrees, daarvoor moet je eigenlijk terug naar precorona. Toen waren er al mensen die desinfecterende gels meesleurden, die liever geen deurklinken aanraakten, die hun handen ontsmetten nadat ze geld hadden aangeraakt. Die sandalen boven blote voeten verkozen. 

Ik was dus niet zo’n mens. Je kan dat fout of juist vinden van mij, dat maakt mij weinig uit. Alleszins: ik was zo’n dartelend veulen op blote voeten: in het zand, op de dijk aan zee, op het terras met een wijntje, tot ik naar het toilet moest en een vriendin zou zeggen: doe normaal en doet uw schoenen aan. Ik deed aan nagelbijten nadat ik geld gewisseld had, wroette met mijn handen tussen regenwormen en pissebedden. Ik waste mijn handen als ze vuil waren of plakten, dat was het. 

EN NU. BEGRIJP JE IN WAT VOOR WERELD IK BEN BELAND. 

Ik ga shoppen en aan de deur van elke winkel staat een gigantische pomp ontsmettingsgel. Als ik daar durf voorbijlopen omdat mijn handen nog plakken van de gel in de vorige winkel, word ik tegengehouden. Ik ben een crimineel! Ik moet winkelkarren ontsmetten. Handen wassen wassen wassen van zodra ik één stap buitenshuis zet. Want dat plakt overal op! Ik kijk naar mijn champignons en denk: tja, ik mag jullie niet wassen he, ik zal jullie met corona enal gewoon moeten opeten dan. 

Dat mondmasker moet overal op en ik ben er nog steeds niet aan gewend, nee. Ik mis zoveel gezichtsuitdrukkingen. Op de trein zat een man met een hond, en ik kon niet zien of de man glimlachte, of hij het oké vond dat ik zijn hond aaide. Ik vind het niet passend. Ik zal dat nooit vinden, maar hé, ik weet ook wel dat dat moet. 

Als ik wijntjes of koffietjes ga drinken dan hangen er plastieken schermen tussen tafeltjes. Ik zit buiten zolang het kan. Ik word gelukkig wel nog herkend als ik binnenkom, ook al zit half mijn gezicht bedekt onder stof. Ik blijf tot 1 uur, 23 uur. Dan moet dat allemaal toe, want het ligt aan die plastic schermen en aan het buiten zitten en aan de tafels die verder uit elkaar stonden dan ooit. Niet aan overvolle treinen richting kust, waarbij een vrouw tegen mij aan leunt wegens plaatsgebrek, zeer zeker niet. Vraagtekens en veel spijt. Voor al wie in de horeca werkt en bleef nadenken over hoe het veilig kon, en dan de deuren moest sluiten. Voor mezelf ook ja, want daar gaat dat lekkere eten en dat kunnen showen van mijn nieuwe schoenen. Een groot deel van mijn sociaal leven ook, gewoon.

Tja. We zien ziekenhuizen vol coronabedden, mensen aan ingewikkelde beademingstoestellen. We willen geen bedden te weinig, we willen geen reguliere zorg die stopgezet wordt. Dus ik ontsmet mijn handen toch. Was ze flink en lang genoeg, denk ik. Wat kan ik anders?
We zien ook heel veel niet. We horen eens iets waaien uit de entertainmentsector, horen dat er jobverlies is, we lezen eens dat eenzaamheid groeit. Dat zelfdoding stijgt, niet zomaar, niet onwillekeurig. We zién dat niet genoeg. Ik denk dat daar een deel van het probleem zit. Wat dan met de mentale gezondheid, van iedereen? Kwetsbaarheid is soms ook maar een leeg begrip – je moet dat kunnen, zoiets. Ik kan ook maar denken en iets vinden. Ik onthoud: “mensen zijn woke en intussen slaapt hun empathie”.

@jef.eagl Instagram

Regenlaarzen

Zoals beloofd publiceer ik hier naar aanleiding van mijn schrijfcursus TONNEN fictie. Enfin, het bestond toch al, dus waarom niet. Ik kan ellenlang doorzagen over hoe mottig ik dit verhaal inmiddels alweer vind omdat ik het al 85 keer gelezen heb, maar ga jullie gang ermee: lees het, erger je, en stik erin. Nee, niet waar. Maar volgende week is het beter – dat zeg ik nu nog, straks ga ik het 85 keer herlezen.
Ter info: de opdracht was “schrijf over één van je buren” maar mijn buren leiden geen spectaculair leven (ikke wel anders) dus ik heb er één verzonnen. Alles kan in fictieland! En in Kellyland. En nu mag je lezen.


Ik had de regenlaarzen van de kleinkinderen ontweken, wist exact waar ze ze hadden uitgedaan die laatste zaterdag. In de ochtendschemer nu leken ze ongepast, waren hun schaduwen in de veranda te groot voor hun kindervoetjes. Ik stak mijn linkerhand in Arthurs schoen, mijn rechter in die van Lotte en kriebelde met mijn vingers alsof het hun tenen zouden zijn. Ze voelden koud in de laarzen, net als die zaterdagochtend toen we ze aandeden om de tuin om te woelen en om naar de bakker te gaan in onze laarzen omdat dat kon, en omdat de laarzen wij waren. Oma en die laarzen, daarom wilden ze zelf ook zo graag regenlaarzen en dan liever geen blauwe of roze of die van Bob de Bouwer, maar kakigroene zoals de mijne. Opa had pantoffels en hun ouders deden aan sportschoenen, maar wij hadden laarzen. Wij hadden de tuin. Ik hield hun kleine laarsjes stevig om mijn handen en liep naar buiten. 

Ik rilde nog, ondanks mijn regenjas boven mijn pyjama. Ik liep naar achteren. De zon kwam voorzichtig op en toonde onze tuin zoals ze was en zou worden die dag. Het was een stille nazomer. Ik moest het dierenhotel nog bouwen en gras afrijden tot op vijf centimeter, en ik hief mijn arm op om op mijn nagels te bijten. Lottes schoen botste tegen mijn lippen, en toen leunde ik tegen de gesnoeide kerselaar omdat ik het gevoel had niet veel anders te kunnen doen dan leunen.
 Vorige week zaterdag om kwart voor elf ’s avonds waren ze vertrokken. In hun pyjama, Lotte met een chocomelk in haar ene hand en haar moeder aan haar andere. Boodschappentassen vol kleren waren al ingeladen in de auto, er stond een haastige koffer achteraan, er waren kinderlepels verdwenen uit mijn schuif. Arthurs gordel werd aangedaan. Er zat al een slapertje in zijn ooghoek, die had ik willen wegwrijven. Lotte fronste aan de andere kant. Ze huilden niet, het was stil. Zo’n dingen horen dramatischer te zijn. Johan zat aan het stuur en had de auto al laten draaien, zodat het duidelijk was: wij gaan weg, ik zit hier niet zomaar demonstratief te zitten. Marijke gaf Arthur ook nog een chocomelk en ik wou nog zeggen dat dat misschien niet zo’n goed idee was in de auto, en toen de auto in achteruit werd gezet wou ik daarachter gaan staan zodat de parkeersensoren hen wild zouden laten weten dat er iets grondig fout was, maar ik zweeg. Ik bleef aan de verandadeur staan. Marijke stapte ook in. Niemand keek iemand aan. Toen ze de straat waren ingedraaid zei Chris: ‘morgen staan ze hier terug. Ik ken mijn zoon.’
Ik heb mij omgedraaid en begon handdoeken op te plooien. Ik wist dat dat niet waar was. Geen enkel deel van zijn zin. 

De kerselaar bewoog toen ik weer ging rechtstaan en ik wist dat ik weer naar binnen moest. Ik wou aan het ontbijt beginnen, voor zes personen, want wie weet kwamen ze vandaag toch. Op maandag, daar zijn maandagen voor. Chris zou bijna wakker zijn: maximum zeven uur geeft zijn slaappil hem. Ik wou koffie zetten, sinaasappelen persen en de melk exact één minuut in de microgolf zetten. Die zaterdagavond aten we appelmoes en ik had tot dan niet opgemerkt dat mijn bestek geluid maakt in mijn bord. Het was die stilte denk ik, dat zwijgen waarin ik had moeten ingrijpen. Ik had het zo vaak opnieuw afgespeeld in mijn hoofd.
Ik ging terug richting de veranda en stopte bij de kippen. Arthurs bouwvakkershelm lag er nog. Felgeel, achtergelaten achter het kippenhok om op zondag zijn spel gewoon weer verder te kunnen zetten. Brandweer van de kippen.
Ik leunde opnieuw, ging zitten op de balk naast de drinkbak van de kippen. Ze kwamen langs en draaiden rond mij als katten, pikten in mijn jaszak en op de laarzen rond mijn handen. Het was niet de bedoeling dat ze lawaai zouden maken. Het was ook niet de bedoeling dat ik zou huilen, en dat Chris zou buitenkomen omdat de kippen wel gigantisch veel honger leken te hebben. 

Chris gaf de kippen eten en ging zitten op de balk naast mij. Hij stak een sigaret op en dat vond ik mooi, in het ochtendlicht. Ik vond hem ook mooi zo. ‘Hun laarzen liggen hier nog’, zei ik. ‘Ze kunnen niet zonder hun regenlaarzen.’ Hij stopte met roken en ritste mijn regenjas dicht tot helemaal bovenaan, tot mijn kin er volledig in verdoken zat. Ik zat verdoken in regen. Chris knikte onhoudbaar. 

AAN AL WIE MIJN BLOG LEEST, IK HEB GROOT NIEUWS!!!

Maar dus echt, ik meen het, nieuws van het grote kaliber. Als mijn nieuws een vis zou zijn die je kon vangen dan was het zo’n grote met lange tanden met een lampje bovenaan zijn hoofd. (Kwestie van allemaal wat beeldender te maken, ik zou nooit een vis vangen. Dat is voor mannen op bepaalde apps beginnend met een T, daar is al een niche voor).

Wie mij volgt op de socials zag misschien al dat ik mijn verjaardag vierde en dat ik dat deed met lekker eten, heel lekker eten. Ik werd 26! Oud, ’t zal wel zijn, 10 jaar geleden dacht ik dat ik er onderhand wel volwassen zou uitzien en getrouwd zou zijn. Nu, ik ben niet getrouwd, dat weten wij allemaal, en wie nu dacht dat het grote nieuws was dat ik mijn verjaardag vierde: fout en wie dan denkt dat ik ga trouwen: meer dan fout. Het heeft wel met trouwen te maken. HUH?

Ben ik wat drama aan het creëren? Zijn jullie al benieuwd?? Hoezo het is met trouwen en Kelly gaat niet zelf trouwen? Gaat ze huwelijken verpesten?

Organiseren? (nee toch, ik organiseer mijn eigen leven nog niet)

… Ik ga spreken op huwelijken! Op ceremonies! Op elk sleutelmoment in je leven waarvan je denkt: hierbij organiseer ik graag een ceremonie en ik wil dat Kelly komt spreken. Dus ook als je iets, iemand wil herdenken. Bij een afscheid, bij verdriet.

Ik word ceremoniespreker! Enfin, binnenkort. In bijberoep. Met heel veel plezier. Het is nog met opleiding nu, maar ik wou het jullie al graag meegeven.

Het gaat bij ceremoniespreken niet enkel om het vertellen maar voor een groot stuk ook om luisteren en om schrijven. Ik vind het zo interessant dat mensen een persoonlijk verhaal te vertellen hebben, in welke context dat ook mag zijn. Als je daar dan woorden aan kan geven, als door de juiste woorden een verhaal tot leven kan komen en mensen zich daarin kunnen herkennen – dan zal ik dat, denk ik, heel fijn vinden. Ik vind het natuurlijk ook gewoon leuk omdat het met schrijven is en we all know dat dat is wat ik het liefste doe, en ik kan niet beloven dat ik geen woordgrapjes verstop in huwelijksceremonies.

In 2021, wanneer corona vertrokken is (dat denken we nog allemaal heel vrolijk!) en Kelly in de plaats komt aanwaaien, dan kunnen jullie met z’n allen vrolijk trouwen. Met mij erbij. Ik doorkruis het hele land en verder voor jullie. Ik zou aanraden om zelf nog even te wachten met overlijden, maar elke andere ceremonie vertel ik met plezier. Ik laat weten wanneer jullie mij wildenthousiast kunnen boeken!

DAARNAAST! IS HET NOG NIET GEDAAN! Het nieuws blijft komen, hou jullie vast. Nee, het is niet echt nieuws maar een mededeling voor al wie nog wakker is. Wie een ravisant geheugen heeft, weet misschien nog dat ik ooit gezegd heb dat ik een schrijfcursus ging volgen. Wel, die is nu bezig. Ik schrijf keiveel fictie en ik vind het natuurlijk fantastisch. Nu staan die kortverhalen op mijn laptop te schimmelen tussen screenshots van mijn kat en van het bovenstaande coronavirus. Daar is een mens misschien niet veel mee, dus ik dacht: ik post die op nosmalltalk voor de 5,5 geïnteresseerden!
En, belangrijker, het zullen vier verhalen zijn en na publicatie van ze allemaal kunnen jullie stemmen welk verhaal jullie het interessants vinden om verder uit te werken en dan zal ik dat ook gewoon doen. (Ik weet niet hoe ik dat stemmen ga doen maar then again ik ben niet echt van het nadenken).

Zeer veel groetjes van jullie allerbeminde Kelly
(dit is onnodig officieel)