Verse vork

De fictie na mijn schrijfcursus gaat nog even door, en gaat deze week over een vork. Ik vind dit net iets meer mijn stijl dan het vorige verhaal, maar écht waar: alle feedback is welkom. De opdracht was trouwens: een personage gaat een restaurant binnen en gaat weer buiten, let op de ruimte/sfeerschepping. O, die goede mooie tijd van de restaurants. Je moest dus niet over vorken schrijven, dat heb ik erbij geplakt. Het was grappig hoe anderen schreven over daten enkel voor het eten (inspiratiebronnen alom) of over criniclowns die werken in het restaurant.


Ik dacht toen dat mijn eerste glas rode wijn van de herfst niet beter kon worden dan daar, met de open haard in mijn rug waardoor deze keer enkel mijn schouders konden blozen. De koude verstopte ons weer binnen, we zaten aan een tafel die niet wiebelde en op zachte stoelen waar ik mijn billen niet vanaf moest trekken. Door de lamellen zag ik de autolichten buiten in streepjes passeren, zag ik mensen in twijfel of het te dramatisch was om lichten aan te steken en zag ze dan maar kijken naar wat een ander doet. Ik werd rustig van het zachtere licht, van het gevoel dat vallen mogelijk was nu. Ik hield mijn wijsvinger boven de vlam van de kaars op tafel, net niet te dicht om me te verbranden.

Mijn date, die in de fase was van goed genoeg om mee buiten te komen maar nooit goed genoeg om werkelijk aan mijn vrienden te laten zien, nam mijn hand van aan de andere kant van de tafel. Mijn hand was warmer dan de zijne. Ik behoor tot dat raar soort mensen dat altijd warme handen heeft, die daar altijd een verklaring voor moet geven. Hij had mijn wijn gekozen, zorgvuldig als altijd. Lichtrood en gekoeld, dat vond hij passend. Ik ook. Dat zorgvuldig kiezen van hem was de reden geweest dat ik ja zei op zijn voorstellen en hem op mijn beurt meevroeg naar restaurants en naar binnen, want ik veronderstelde dat hij mij dan ook wel zorgvuldig had uitgekozen. Ik liet zijn hand los en draaide mijn wijn onhandig rond in mijn glas.
 ‘Ik ga naar het toilet.’

Mijn hakken tikten op de grote, zwarte tegelvloer. Ik hoorde van iedereen dat mijn voetstappen een typisch geluid maakten. Kort en vrolijk: het zijn altijd de kleine dingen die ironisch zijn. Ik tikte verder, probeerde even in maat te lopen met de pianomuziek die te luid speelde: sneller, minder mezelf. Ik legde mijn krullen over mijn rechterschouder en toen, achter een vaas gele bloemen die ongepast naar de lente roken, zag ik die lange wimpers. Even ongepast. Lange wimpers konden nooit zo bedoeld zijn. Hij had mij nog niet gezien, mijn stap daarnet niet herkend. Hij lachte om iets wat één van zijn tafelgenoten vertelde en met veel gebaren uitbeeldde, speelde intussen met het zoutvat op tafel. Zijn donkerblauwe hemd zat nonchalant in zijn broek en zijn portefeuille lag achteloos op tafel. Zijn lachrimpels waren zorgeloos. Ik stond achter die gigantische bos bloemen op de kast, die gele gerbera’s, die verse witte lelies en die takken, al die takken. Die buffetkast met schuiven en deuren, glimmend en robuust, al die broodmanden met vers gesneden brood en de boter, zachter dan ik, perfect op kamertemperatuur. Bloemen en takken groter dan ik. Vanachter het boeket keek ik opnieuw naar die wimpers, langer dan de mijne. Alles was meer dan ik. Het plafond voelde hoger, de pianomuziek nog luider, de frituurgeur sterker. Die wimpers. Ik duizelde. Het waren die avonden waarbij onze glazen omvielen in het gras, waarbij we stonken naar vijfendertig graden en water van het kanaal, waarbij ik zijn wimpers had geteld en mijn vingers hadden geplakt naar restjes zonnecrème. Niemand leek dat erg te vinden. Ik had mijn vingers verbrand, ik was te dicht gekomen bij dingen die te licht voor mij waren. 

Op de buffetkast vond ik een vork. Het was een verse, eenzame vork, die niet in de besteklade lag en niet vergezeld was van een lepel of een mes, en daar zo speciaal achtergelaten was voor mij. Ze blonk, ik wreef er zacht over met mijn duim en zag mijn reflectie. Mijn krullen dansten in het staal, en ik streek over de tanden, zachtjes heen en weer. Ik keek op en zag zijn nek, die stoppels van anderhalve dag oud tussen de wilde bloemen en weelderige takken. Mijn vingers klemden rond de vork, de tanden prikten in mijn vingertoppen: zo onschuldig en zo pijnlijk tegelijk. Ik ontspande mijn vingers opnieuw. Ik zag mijn vork landen tussen zijn stoppels en zijn kaaklijn, snel en scherp, daar waar zijn hals ademhaalt. Geen spoortje bloed. Geen spoortje adem. Hij zou schrikken. Zijn tafelgenoten zouden schrikken. De vork zou enkele seconden trots blijven steken en in die seconden zou hij mijn voetstappen slechts herinneren, in de verte. Hij zou zich later afvragen of hij ze niet had ingebeeld.
Ik keek achterom: er was enkel een tafel in de hoek bezet, kinderen op de iPad, ouders die vlees verwoed in stukken sneden. Geen complimenten voor de kok. Het zouden slechts de bloemen zijn die bewegen. Ik ademde diep in. 

Ik tikte terug naar mijn tafel, kort en vrolijk.
‘Ik wil weg’, zei ik.  
Mijn date keek op van zijn menukaart, fronsend, zijn mond in iets dat hij zelf nog niet kon plaatsen. Zijn ogen waren te klein, het was eigenlijk geen zicht. Ik deed mijn jas al aan. Daar, in één beweging barstte mijn elegante glas in grote stukken en droop lichtrood langs het lederen tafelkleed naar beneden. Ik blies de kaars uit en liet de wijn rustig tikken op de grond. Ik wou me spiegelen in de plas op de tegels, spiegeltje spiegeltje op de grond, maar ik deed mijn schoenen uit en slofte op mijn panty’s weg. Er verschoven een paar stoelen in de zaal.

2 Reacties

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      oktober 31, 2020 / 5:27 pm

      Dank je welll Audrey!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.