Regenlaarzen

Zoals beloofd publiceer ik hier naar aanleiding van mijn schrijfcursus TONNEN fictie. Enfin, het bestond toch al, dus waarom niet. Ik kan ellenlang doorzagen over hoe mottig ik dit verhaal inmiddels alweer vind omdat ik het al 85 keer gelezen heb, maar ga jullie gang ermee: lees het, erger je, en stik erin. Nee, niet waar. Maar volgende week is het beter – dat zeg ik nu nog, straks ga ik het 85 keer herlezen.
Ter info: de opdracht was “schrijf over één van je buren” maar mijn buren leiden geen spectaculair leven (ikke wel anders) dus ik heb er één verzonnen. Alles kan in fictieland! En in Kellyland. En nu mag je lezen.


Ik had de regenlaarzen van de kleinkinderen ontweken, wist exact waar ze ze hadden uitgedaan die laatste zaterdag. In de ochtendschemer nu leken ze ongepast, waren hun schaduwen in de veranda te groot voor hun kindervoetjes. Ik stak mijn linkerhand in Arthurs schoen, mijn rechter in die van Lotte en kriebelde met mijn vingers alsof het hun tenen zouden zijn. Ze voelden koud in de laarzen, net als die zaterdagochtend toen we ze aandeden om de tuin om te woelen en om naar de bakker te gaan in onze laarzen omdat dat kon, en omdat de laarzen wij waren. Oma en die laarzen, daarom wilden ze zelf ook zo graag regenlaarzen en dan liever geen blauwe of roze of die van Bob de Bouwer, maar kakigroene zoals de mijne. Opa had pantoffels en hun ouders deden aan sportschoenen, maar wij hadden laarzen. Wij hadden de tuin. Ik hield hun kleine laarsjes stevig om mijn handen en liep naar buiten. 

Ik rilde nog, ondanks mijn regenjas boven mijn pyjama. Ik liep naar achteren. De zon kwam voorzichtig op en toonde onze tuin zoals ze was en zou worden die dag. Het was een stille nazomer. Ik moest het dierenhotel nog bouwen en gras afrijden tot op vijf centimeter, en ik hief mijn arm op om op mijn nagels te bijten. Lottes schoen botste tegen mijn lippen, en toen leunde ik tegen de gesnoeide kerselaar omdat ik het gevoel had niet veel anders te kunnen doen dan leunen.
 Vorige week zaterdag om kwart voor elf ’s avonds waren ze vertrokken. In hun pyjama, Lotte met een chocomelk in haar ene hand en haar moeder aan haar andere. Boodschappentassen vol kleren waren al ingeladen in de auto, er stond een haastige koffer achteraan, er waren kinderlepels verdwenen uit mijn schuif. Arthurs gordel werd aangedaan. Er zat al een slapertje in zijn ooghoek, die had ik willen wegwrijven. Lotte fronste aan de andere kant. Ze huilden niet, het was stil. Zo’n dingen horen dramatischer te zijn. Johan zat aan het stuur en had de auto al laten draaien, zodat het duidelijk was: wij gaan weg, ik zit hier niet zomaar demonstratief te zitten. Marijke gaf Arthur ook nog een chocomelk en ik wou nog zeggen dat dat misschien niet zo’n goed idee was in de auto, en toen de auto in achteruit werd gezet wou ik daarachter gaan staan zodat de parkeersensoren hen wild zouden laten weten dat er iets grondig fout was, maar ik zweeg. Ik bleef aan de verandadeur staan. Marijke stapte ook in. Niemand keek iemand aan. Toen ze de straat waren ingedraaid zei Chris: ‘morgen staan ze hier terug. Ik ken mijn zoon.’
Ik heb mij omgedraaid en begon handdoeken op te plooien. Ik wist dat dat niet waar was. Geen enkel deel van zijn zin. 

De kerselaar bewoog toen ik weer ging rechtstaan en ik wist dat ik weer naar binnen moest. Ik wou aan het ontbijt beginnen, voor zes personen, want wie weet kwamen ze vandaag toch. Op maandag, daar zijn maandagen voor. Chris zou bijna wakker zijn: maximum zeven uur geeft zijn slaappil hem. Ik wou koffie zetten, sinaasappelen persen en de melk exact één minuut in de microgolf zetten. Die zaterdagavond aten we appelmoes en ik had tot dan niet opgemerkt dat mijn bestek geluid maakt in mijn bord. Het was die stilte denk ik, dat zwijgen waarin ik had moeten ingrijpen. Ik had het zo vaak opnieuw afgespeeld in mijn hoofd.
Ik ging terug richting de veranda en stopte bij de kippen. Arthurs bouwvakkershelm lag er nog. Felgeel, achtergelaten achter het kippenhok om op zondag zijn spel gewoon weer verder te kunnen zetten. Brandweer van de kippen.
Ik leunde opnieuw, ging zitten op de balk naast de drinkbak van de kippen. Ze kwamen langs en draaiden rond mij als katten, pikten in mijn jaszak en op de laarzen rond mijn handen. Het was niet de bedoeling dat ze lawaai zouden maken. Het was ook niet de bedoeling dat ik zou huilen, en dat Chris zou buitenkomen omdat de kippen wel gigantisch veel honger leken te hebben. 

Chris gaf de kippen eten en ging zitten op de balk naast mij. Hij stak een sigaret op en dat vond ik mooi, in het ochtendlicht. Ik vond hem ook mooi zo. ‘Hun laarzen liggen hier nog’, zei ik. ‘Ze kunnen niet zonder hun regenlaarzen.’ Hij stopte met roken en ritste mijn regenjas dicht tot helemaal bovenaan, tot mijn kin er volledig in verdoken zat. Ik zat verdoken in regen. Chris knikte onhoudbaar. 

10 Reacties

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      oktober 24, 2020 / 12:35 pm

      Dank je Audrey!

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      oktober 24, 2020 / 12:35 pm

      😀 merci!

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      oktober 24, 2020 / 12:35 pm

      Ah merci Irene! Haha ik wil dat heel graag hoor, maar ’t zal nog niet voor direct zijn. Voorlopig is het dit!

  1. Kaylin
    oktober 23, 2020 / 10:44 am

    Ik vind dit echt niet mottig maar oprecht mooi. Ik kijk al uit wat er volgende week voor ons klaar staat.

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      oktober 24, 2020 / 12:36 pm

      Dank je Kaylin, da’s lief!

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      november 22, 2020 / 1:40 pm

      O, dank je Leen! Zo lief!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.