Oneindig vinden

Oké, vriendjes en vriendinnetjes, ik schreef dus een kortverhaal. Enfin, ik schrijf af en toe al eens iets naast de blog, maar ik vond dat ik het ook wel eens kon plaatsen. Er zijn geen regels in blogland toch, en mochten die er wel zijn, dan lap ik ze graag aan mijn laars. Bij deze vinden jullie vanaf nu een gloednieuw tabblad bovenaan, gloeiend origineel “verhalen”, en een fictief kortverhaal dat gaat over vinden en verledens en hoe die oneindig zijn.


Ze reed. Ze reed op de autosnelweg en wou voor eeuwig blijven doorrijden, in de richting van de windmolens. Eenmaal ze daar voorbij zou zijn, zou ze in de richting van de wolken rijden, en eenmaal daar voorbij, in de richting van wat nog oneindiger was dan dat. Ze wou blijven doorrijden tot ze zichzelf gevonden had, kilometer na kilometer. Lize had het al geprobeerd, dat vinden. Conventioneel en minder conventioneel. Ze was gaan schilderen, ze was gaan boksen, ze had een psycholoog geraadpleegd. Ze had gepraat met hem, en zichzelf keer op keer toegesproken dat het toch wel verdomme oké was dat hij een man was. Hij was toch gewoon hulpverlener, en zij was toch gewoon een onafhankelijke volwassen vrouw. Ze had over haar somberheid verteld, die haar te pas en te onpas lijkt te vergezellen. Die haar opwacht op de passagiersstoel van haar auto, geduldig, gewoon omdat hij weet dat ze terugkomt en hem weer meeneemt. Somber had ze aanvaardbaar gevonden om te vertellen, maar ze had handig rond dat ene gepraat. Ze had jonglerend het ene rode balletje ontweken, razendsnel, en zo was het nooit opgemerkt, en zo had het advies geweest: “Lize, je hebt de regie over je eigen leven.” Sure. Ze had het opgevolgd, dacht ze, door zelfbewust naar Maleisië te reizen, helemaal solo en daar de Mount Kinabalu te beklimmen na te weinig voorbereiding en te veel zorgen. Toen ze arriveerde, bovenaan, voelde ze onnoemelijk veel pijn in haar voeten, in haar rug, in haar kuiten, in haar knieën en in haar schouders en was ze zo misselijk dat ze zich achteraf het uitzicht niet meer zou herinneren, maar enkel die tuimelende, bekruipende misselijkheid.

En omdat conventionele en niet-conventionele middelen om zichzelf te vinden niet hadden geholpen, had ze besloten te rijden. In haar citroengele Skoda, snelweg na snelweg, en, ze maakte zich geen illusies, tolweg na tolweg. Als een psycholoog en een berg niet hadden geholpen, dan zou het na 300 kilometer ook niet lukken. Maar misschien na 1533 kilometer. Of 9379, wist zij veel. Ze zou gewoon rijden, in haar auto slapen, bijtanken, en rijden. En tussendoor misschien ook eens nadenken. 

De Vlaamse radiozenders hadden het intussen al opgegeven en de Franse hadden het, in alle hevigheid zoals we dat van Fransen gewoon zijn, overgenomen. Spotify had ze ook, maar aan afspeellijsten had ze niet gedaan. Wat had ze dan moeten kiezen als thema – van die 80’s roadtripsongs met We built this city? Tof nummer hè, maar dan had ze zich opeens verplicht moeten voelen om mee te zingen. Blackbird, van The Beatles had een heel filmisch nummer kunnen zijn, maar dat had ook op het juiste moment moeten komen. En verdomme, het leven is geen film. Dat wordt niet ondersteund door de juiste soundtrack, altijd, en als het raam van je auto openstaat en je haar verleidelijk wappert en de zon verwarmt, dan speelt er een kutnummer. Zo werkt dat, en als het dat niet is, dan plakt je haar in je mond. Dat zijn imperfecties, kleine, vervelende, mooie, imperfecties die het leven het leven maken, bedacht ze, terwijl een Franse radiopresentator iets onbeduidend zei over het sportnieuws, en het raam van haar auto openstond. 

Ze moest plassen, en ze had een verschroeiende zin in Skittles. Ze had al 7 uur non-stop gereden waarvan ze 2,5 uur in de file had gestaan. Volgens de regels zou ze eigenlijk al lang ergens gestopt moeten zijn en had ze “de benen moeten strekken”, zoals zo plastisch op internet te lezen is. Ze had gegoogeld op lange ritten, en was ergens uitgekomen bij vrachtwagenchauffeurs. Ze was daar blijven hangen, alsof zij haar buddy’s zouden worden binnenkort. Ze vertelden haar, onrechtstreeks, dat ze haar aandacht niet mocht laten verzwakken, op tijd moest stoppen (al had zij niet van die controlerende klokken, dat scheelde) en even moest rusten als haar ogen te zwaar werden. Hoe doen ogen dat plots, zwaar worden? Hoe krijgen onze ledematen en onze organen ineens zoveel eigenschappen toebedeeld? De hare werden het niet. Ze waren wakker, alert, zagen alles gebeuren in de auto’s rond haar: ruzies op de achterbank, stiltes met veel woorden, stiltes zonder woorden, voeten op het dashboard, snacks die uitgedeeld werden. Nu zag ze een tankstation naderen, en een grote gefotoshopte hamburger, dus ze hoopte dat daar ergens ook Skittles zouden zijn. Die Skittles herinnerden haar aan haar middelbare school, toen ze met haar beste vriendin in de les stiekem verschillende kleuren wisselden, want zij lustte de paarse keigraag en Farah de groene. Ze wisselden Skittles uit en negeerden dat ze eigenlijk allemaal gewoon naar lichtzure suiker smaakten, want elke kleurwissel smaakte vooral naar vriendschap. En vriendschap en goede herinneringen, die moet je koesteren.

Lize ging naar het toilet, bestelde Skittles en koffie bij een oude man die even alerte ogen had als zij. Hij knikte bemoedigend, en ze kreeg koffie in een echte kop in plaats van in de wegwerpbeker die ze verwacht had. Ze aarzelde.  
“Je kan daar zitten”, verklaarde hij in ratelend Frans, en ze knikte terug. 
Aan de lange tafel aan het raam plakten randen van koffie en lagen kranten van de dag die bijna voorbij was, maar was er niemand. Ze slurpte haar koffie hevig naar binnen. Als warmte, die moet vullen, als surrogaat, die eenzaamheid vijf minuten stilt. In al zijn bitterheid. In de damp van haar koffie zag ze de sereniteit van de autosnelweg, het dwingende tankstation vol licht. Ze zag chauffeurs dromend tanken, bijrijders kwetsbaar slapen. Ook zonder koffiedamp wou ze blijven zitten, wou ze haar slaapzak nemen en zich hier op de tafel languit uitstrekken en dit stille komen en gaan observeren. Mensen treffen in hun nachtelijke autorijden is veel interessanter dan ze bestuderen tijdens hun uitje in de dierentuin, vond ze. Ze at haar Skittles smakeloos op, als popcorn bij de film. 

Er werd een stoel naar achteren geschoven. Twee stoelen rechts van haar. Een vrouw van een jaar of zestig, het type dat er ouder uitziet dan ze is, en bij wie je dat miraculeus genoeg nog kan afleiden. Haar blauwe eyeliner was zacht uitgelopen, haar gebruinde huid was te droog, en haar lippen waren gebarsten en gegroefd. Haar asblonde haar zat in een vreemde speld gedraaid, alsof ze eigenlijk onder een kapperslamp zou moeten zitten. Bovendien las ze de Dag Allemaal, waardoor het leek alsof ze effectief van de kapper was weggelopen. Lize keek weer door het raam, en merkte tegelijk hoe de vrouw nu naar haar keek, naar haar kop koffie keek en opnieuw naar haar. Ze vroeg zich af wat die vrouw van haar zou denken, nu. Lichtbruin haar, sprieterig in een dot gestoken, wakkere ogen, en wat doet die jonge vrouw van een jaar of 28 hier in godsnaam alleen om middernacht op een random julidag, waar zijn haar aanhangsels? 
Lize vormde een antwoord in haar hoofd, maakte zich klaar voor de aanval, want wat had die vrouw nu te beslissen over haar, en over het feit dat er hier koffie stond om middernacht? 
“Un café?” vroeg de vrouw. Ze glimlachte, en de groeven rond haar mond verstilden. 
Shit, dacht Lize. Ze was niet voorbereid op een glimlach. “Ja”, antwoordde ze, met haar ogen opgetrokken. “En bij u, cola?”, vroeg ze in het Nederlands door de Dag Allemaal. Alsof het dan wel normaal is om cola te drinken om middernacht. 
“In tankstations gelden geen regels. Het is hier net zoals in de luchthavens: daar kan je ook pizza bestellen om 6 uur ’s morgens. En dat smaakt, ongelooflijk. Hebt ge honger?” 
Haar Skittles waren al op. “Euh, ja, misschien wel.” 
De kappersvrouw ging rechtstaan en had een geanimeerd gesprek met de man van wie Lize koffie in een kop had gekregen. Lize vroeg zich af of ze nu niet gewoon moest weggaan, want dat kon, want dit gesprek was gewoon raar, en dan zat ze in de auto en kon ze gewoon nog wat rijden en zien waar ze straks zou uitkomen. Maar ze bleef zitten, alsof haar stoel niet meer te verschuiven viel. 
“Armin heeft een paar koffiekoeken in de oven gestoken. Chocoladekoeken, croissants en frangipanes, zegt u dat iets?” 
Lize knikte. “Kent u die, Armin?” 
“Ik woon in Bonnieux, een dorp in de Provence, maar ik ga geregeld naar familie in België. Ik stop hier altijd, al 20 jaar. En Armin zit hier al zo lang ik mij kan herinneren.” 
Lize knikte terug. “Amai, tof.” Ze wist dat nu het moment kwam dat ze nog iets moest vragen. “Dus euh, dan bent u nu terug op weg naar de Provence?” 
“Exact, naar huis. En gij, naar waar zijt gij op weg?” 
“Euh, naar niets eigenlijk.” Lize zweeg. De vrouw liet haar zwijgen. “Allez, ik ben aan het rijden om mezelf te vinden.” Lize keek haar aan. “En ik bedoel dat niet zo zweverig hè. Maar, ja, eigenlijk komt het daar wel op neer.” 
“Gewoon rijden?” vroeg de vrouw, zonder een zweem oordeel. 
“Gewoon rijden”, antwoordde Lize. 
“Bewonderenswaardig”, zei de vrouw. 
Armin kwam sloffend 3 chocoladekoeken, 5 croissants en 2 frangipanes brengen. Ze aten in stilte, en verdeelden wat overbleef. 
“Ik heb mijn gsm-nummer op het serviette geschreven. Als ge uzelf gevonden hebt, en ook als ge dat niet gedaan hebt, dan woon ik dus in Bonnieux. En het is een schone streek, daar.” De vrouw legde haar hand op Lizes schouder. Niet dwingend, niet medelevend, maar begrijpend. 

Na het ontbijt had ze geslapen. Ondanks de koffie had ze geslapen tot 7 uur, op Armins privé-parking. Het was werkelijk niet te geloven dat ze al connecties aan het leggen was op haar trip, en dat bìnnen de eerste 24 uur. Ze had het gsm-nummer opgeslagen onder “vriendin van Armin”, want ze had geen idee hoe de kappersvrouw heette. En misschien was kappersvrouw ook wel ondankbaar, maar wat moest ze dan, Bonnieuxvrouw? Dat klonk niet veel beter. Het serviette met de slordige cijfers en de zak met de overgebleven croissants knisperde op de passagiersstoel. Alsof er nu, in plaats van die somberheid, een overblijfsel onverwachte gezelligheid was overgebleven. Ze stond ermee in de file, op de A7 richting Lyon. “L’autoroute du soleil”, flitste er door haar hoofd. Het herinnerde haar aan eindeloze spelletjes Uno met haar neefjes en nicht, met wisselen van auto om eens bij nonkel Jan en tante Ria te kunnen zitten en daar te kunnen zagen hoe ver het nog is tot in Spanje. Gekkenwerk, met de auto naar Spanje, met vier kinderen dan nog, maar het vliegtuig was te duur. Het was de eerste keer dat ze verder dan Frankrijk zouden gaan, en de eerste keer met haar tante en nonkel, en haar twee neefjes en nicht. Ze zou die reis naar Spanje nooit vergeten. Langs de autoroute du soleil, 17 jaar later, slurpte ze van caprisunnekes, at ze de croissants en een verlept belegd broodje, betaalde ze veel te veel tol, stopte ze in een wegrestaurant zonder Armins en kappersvrouwen, en kwam ze ongeveer 26 uur na haar vertrek in België aan in Salou. 

En daar, in Salou, zat Lize op een terras met een karaf sangría. Alsof dat niet anders kon in Spanje. Ze had niet eens de moeite gedaan om een goed terras uit te kiezen, zo ééntje van de locals. Het was er integendeel ééntje met half verlichte borden van frieten en pizza, je weet wel, die gerechten uit de echte Spaanse keuken, en met Britten en Nederlanders op het terras die servééésas vroegen en obers die hun ergernis daarbij vakkundig wegstaken. “Whatever”, dacht ze, “ik drink sangría, en naar omstandigheden is het eigenlijk wel nog een goeie”. Ze wist niet hoe ze hier uitgekomen was, aan de boulevard vol kinderen met snottebellen en mensen die teenslippers te letterlijk nemen en hun voeten weigeren op te heffen. Waze had haar naar het centrum geleid, of zij had Waze naar het centrum geleid, omdat ze 17 jaar geleden in Salou was en ze het misschien nog eens wou zien. En omdat ze haar benen moest strekken na 1427 kilometer, vermoedelijk. Ze had zicht op het strand, op een krioelen van mensen die zich een stukje zand toegeëigend hebben. Ze zag families, dynamieken, ruzies, en daartussen haar 11-jarige zelf. Op weg naar het strand, zeulend met emmertjes en een schop, en een opblaasbare matras in felroze en felblauw. Ze glimlachte, naar die strandtaferelen, maar ze voelde tegelijk hoe een misselijkheid haar bekroop, langzaam. Het moet die sangría zijn, die lelijke sangría met dat stomme rietje, dacht ze, ik had nooit dit terras mogen uitkiezen. Ze wou rechtstaan maar voelde zich te moe en te aandachtig tegelijk, alsof iets verlamde en iets waarschuwde. En ze dacht aan wat ze wist, maar niet wou weten, en ze voelde tranen wellen vanachter haar zonnebril, helemaal vanuit haar maag. Ze wist dat het de sangría niet was. 

Ze wist dat het om haar ging. Om 11-jarige Lize, het meisje dobberend op die luchtmatras. Dat onschuldig kind dat schuldig werd die vakantie. Want zíj had haar neefje van zeven in het zwembad geduwd. En ze hadden hem eruit moeten vissen. God, hij moest naar de dokter, want hij was zéker drie minuten onder water gebleven, had tante Ria geschreeuwd. Waarom had Lennert niet gewoon gezwommen? Hij was dat toch aan het leren? Hij was al zeven, had Lize gedacht. Zij kon het op haar vijfenhalf, en hij verdronk bijna toen hij zeven was. 

Lennert was het vervelende neefje. “Moet Lize ook mee?”, vroeg hij aan de ontbijttafel. En Elisabeth en Pieter hadden “jaaa-haa tuurlijk” geantwoord, en daarmee leek de kous af te zijn. Maar hij pakte Lizes schop af op het strand. Prikte met zand in haar ogen. Sloot haar uit. En toen Lize klaagde bij haar mama, troostte die, en zei ze: “ah Lize, het is een kleine jongen, jij weet toch beter”. Maar ze wist niet beter toen ze hem in het zwembad duwde. En toen nonkel Jan later die vakantie zei dat het haar schuld was en dat dit haar vergelding was, toen geloofde ze dat, en liet ze hem. Ze verstopte haar jurkje met gele vlinders, dat ene dat ze toen aanhad, diep in de vuilnisbak, daar waar het thuishoorde. 

“Fuck”, zei ze, en ze liet die lelijke sangría voor wat hij was. Ze viste een serviette op uit haar handtas, en belde een nummer. 
“Ik heb mezelf niet gevonden, bijlange bijlange nog niet, maar ik wil doodgraag Bonnieux zien.”

12 Reacties

  1. weetikhet
    juni 12, 2020 / 2:20 pm

    Goed gevonden, je idee om ook korte verhalen te vertellen !
    Is dat al gedaan in blogland, of heb je een primeur ?
    Het leest vlot, je weet de aandacht vast te houden.
    Beetje drama, beetje mysterie, beetje humor. Goede mix.

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      juni 13, 2020 / 4:49 pm

      Leuk om te horen, dank je!! 😀 dat is ongetwijfeld al gedaan maar er is nog altijd de nosmalltalkprimeur he 😉

  2. juni 12, 2020 / 4:10 pm

    Jaa tof Kelly! Mooi geschreven 🙂 Ik ben al benieuwd naar het volgende.
    Irene onlangs geplaatst…Klein Geluk #2My Profile

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      juni 13, 2020 / 4:49 pm

      Thanks Irene! 😀 😀

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      juni 13, 2020 / 4:50 pm

      Dank je! haha euuu dat zweeft ergens in de toekomst 🙂 🙂

  3. juni 13, 2020 / 7:02 pm

    Wat een leuke rubriek, ik heb genoten van het eerste kortverhaal, ben benieuwd naar meer!

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      juni 16, 2020 / 8:40 pm

      Dank je Tamara! 🙂

  4. Kaylin
    juni 17, 2020 / 4:01 pm

    Mooi gedaan, Kelly! Bedankt voor het delen met ons. Dit smaakt naar meer 😉

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      juni 17, 2020 / 7:41 pm

      Zo lief Kaylin, dank je wel! 🙂

  5. juni 23, 2020 / 10:20 am

    Bon ga dan is snel een boek schrijven oké dag en bedaaaankt.

    • kellynosmalltalk
      Auteur
      juni 25, 2020 / 9:28 pm

      maar jong dankuwel!!!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.